Title: Toon van 't Veer
Author: Arie Cornelis Bos
Illustrator: Jan Rinke
Release date: October 4, 2026 [eBook #79719]
Language: Dutch
Original publication: Gouda: G.B. van Goor Zonen
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/79719
Credits: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net for Project Gutenberg


TOON VAN ’T VEER.

STOOM-SNELPERSDRUK—KOCH & KNUTTEL—GOUDA.
Vier vroolijke kinderen, een meisje en drie jongens marcheerden met gezwinden pas van het kleine dorpje Eethen naar het niet veel grootere Drongelen.
Blijkbaar hadden ze het een of andere pretje in ’t vooruitzicht. Hunne aangezichten vertoonden blijde trekken en hun gang werd steeds vlugger. Waarlijk geen wonder. De vier kinderen waren Stans en Roelof van den burgemeester en Pieter en Hendrik, zoons van het hoofd der school.
Den vorigen dag, des Zondags, waren ze met hunne ouders naar het Drongelsche veer gewandeld en met hunne toestemming hadden ze met hun vriend Anton Groen afgesproken om den volgenden dag na schooltijd een roeitochtje te maken. Ze verheugden zich bij voorbaat over het genoegen, dat ze zouden smaken. [2]
Het Drongelsche veer was de meest geliefkoosde uitspanningsplaats uit den omtrek. Vooral voor de jongelui had het veerhuis veel aantrekkelijks. De familie Van den Hoven waren vriendelijke en prettige menschen. De oude veerknecht, Thijs Groen, had vroeger jaren alle zeeën bevaren en kon heerlijke vertellingen doen, en zijn kleinzoon Anton was de vriend van oud en jong. Hij was een flinke jongen, waar ook de jeugdige lezers en lezeressen naar ik hoop, spoedig evenveel van zullen houden als het viertal, dat we zooeven op den weg naar het veer ontmoetten.
Anton heeft niet stilgezeten in de morgenuren. Terwijl zijne vrienden te Eethen hun Fransche les hadden,—die ze slechts matigjes kenden—was hij bezig geweest om met behulp van zijn grootvader de kleine schouw in het Maasje te brengen. Het was een net, groen en wit geschilderd bootje met 3 zitbanken.
Het vaartuig werd zeilrêe gemaakt. Zeilrêe zeg ik, want Anton had zijn kameraads eene verrassing bereid. De wind was zeer gunstig om terug te zeilen en Anton had de toestemming van den baas en van zijn grootvader weten te verkrijgen, om de schouw op te tuigen. De goede jongen verheugde zich reeds over de blijde [3]gezichten van Stans en van zijne vrienden. Bovendien, de eene dienst was de andere waard. De kinderen van den burgemeester en die van den meester hielpen hem met toestemming hunner ouders vaak aan leesboeken en studiewerkjes. Leerde Toon dan zoo gaarne? Ja en neen! Op school deed hij goed zijn best. Hij zat reeds in de hoogste klasse. Maar behalve dat, werkte hij thuis zeer dikwijls of las boeken uit de schoolbibliotheek en van zijne kennissen. Nu geloof ik wel, dat hij veel liever met de boot op ’t water was, dan dat hij sommen maakte, maar alles heeft zijn tijd. Met het grootste genoegen hielp hij zijn grootvader een paar uur met overzetten, maar met evenveel genoegen kon hij dan weder den tijd tot hij naar bed ging bij zijn atlas en boeken doorbrengen. Dagelijksch hield zijn grootvader hem voor, dat men zeer knap moest wezen om op zee vooruit te komen.
Eerzucht aan de eene zijde en liefde tot zijn trouwen grootvader aan den anderen kant, prikkelde hem tot studie en deed hem goede vorderingen maken.
Eén ding echter bezwaarde hem. Hij wilde Fransch leeren. Fransch gold bij de dorpelingen voor de hoogste geleerdheid. Was het wonder, [4]dat de eenvoudige schippersjongen er ook het meeste heil van verwachtte.
Toen nu om 4 uur de school uitging, spoedde hij zich naar huis en vond zijne opgetogen makkers reeds bij de boot.
„Hé, Toon, wat is dat lief van je,” zei Stans, terwijl ze hem een hand gaf en hartelijk voor zijne goede zorgen bedankte.
Op het veerhuis wachtte hen echter nog eene welkome verrassing.
De jongelui uit Eethen waren reeds ruim te 3 uur uit school gegaan. Meester had hen een vroegertje gegeven. Spoedig waren allen bij den burgemeester. Natuurlijk was er niet van gekomen om eene boterham te eten.
Mevrouw Van den Oever, die als eene liefhebbende, zorgzame moeder er steeds op uit was om hare kinderen een genoegen te bereiden, had zich den middag onledig gehouden met een grooten korf vol met broodjes en andere lekkernijen te pakken en had den korf door Janus den knecht naar het veerhuis laten brengen. Het is te begrijpen, welke vroolijke uitroepen het zien van den korf met haar inhoud den jongelui deed slaken.
Spoedig waren allen aan boord. Thijs maande zijn kleinzoon nog eens tot voorzichtigheid aan [5]en voort ging het. Toon greep een riem en Pieter den anderen. Stans had plaats genomen bij het roer.
De boot ging aanvankelijk slechts langzaam vooruit. Indien Anton het alleen had kunnen doen, zou de snelheid er niet op verminderd zijn.
De mast stond echter juist in het midden van de roeibank. De krachten der roeiers waren verre van gelijk. Hoe wel het Pieter’s eerste keer niet was, dat hij de riemen voerde, kon hij zich niet meten met den ervaren schippersjongen. Langzamerhand echter raakte hij er mee op dreef, en vorderde het beter.
Nog niet lang waren zij op weg, toen de opmerking gemaakt werd, dat op elk vaartuig een gezagvoerder hoort. Thijs zeide immers altijd: „er is maar een groote mast op een schip.” Men ging aldus over tot de benoeming van een kapitein en Anton werd gekozen.
Hij nam de benoeming echter niet aan.
Eensdeels vreesde hij den naijver van Roelof, anderdeels bleef hij in het terugkeeren liever geheel baas van het zeil en ten slotte hoopte hij op de instemming van Constans, die niet weinig trotsch was op haar flinken, grooten broer, al speelde hij ook wat graag den baas. Zij gunde hem tenminste [6]gaarne den voorrang. Misschien was dit laatste wel de voornaamste reden, want het lag overigens niet in Toon’s aard om zich door anderen te laten overheerschen.—„Neen, dat gaat niet,” sprak hij. „Wie heeft er ooit van gehoord, dat de kapitein de riemen had, terwijl twee zijner matrozen rustig sigaretten zitten te rooken? Laat Roelof kapitein wezen, dan zal ik als zijn stuurman dienst doen. Hij is toch de oudste.”
Zijn voorstel ontmoette bij de beide andere jongens eenige tegenkanting. Zij erkenden op het water Anton voor hun meester, maar op Roelof, die gaarne iedereen naar zijn hand wilde zetten, waren ze wel een beetje jaloersch. Hij was echter de oudste, bovendien had hij een heel doosje sigaretten in den zak en dat gaf den doorslag. De keuze werd dus goedgevonden.
Sigaretten was verboden waar voor onze jongens, maar Roelof, die nog al ruim van zakgeld voorzien was, wist zich altijd een goeden voorraad te verschaffen, wanneer de knecht Vrijdags met boter en eieren ter markt ging. Hij zorgde wel, dat het niet ontdekt werd en zijn zusje verklapte hem nooit. Veel nadeel deed deze gewoonte hem en zijne makkers, die hij steeds ruimschoots mede deelde, niet. Toch was het jammer. Het waren [7]alle vier zulke flinke levenslustige knapen, en rooken kan niet anders dan welopgevoede jongens ontsieren. Ook Anton paste het stukje papier met tabak kwalijk bij zijn jolig gelaat en echt jongensachtige vroolijkheid. Hij was even opgehouden met roeien en zat aan stuurboord—dat is de rechterzijde; de andere kant heet bakboord.—Onder het rooken noemde hij de deelen van het tuig.
De mast was bevestigd aan den bodem van de boot en aan de roeibank. Twee dwarsstokken, waarvan de onderste de langste is, kunnen om den mast draaien met een ring, die zich aan het einde ervan bevindt. De giek, dat is de stok beneden, is zoo hoog boven boord geplaatst, dat hij vrij kan bewegen en de gaffel is bijna boven aan den mast bevestigd. Aan deze beide stokken en aan den mast is het zeil vastgebonden, dat dus om den mast kan draaien, naarmate de wind en de koers het vereischt. De gaffel wordt omhoog gehouden door een lijn of touw, dat door een katrol loopt, welke hoog in den mast is bevestigd. Met deze lijn kan het zeil geheschen worden.
De mast is dus het eene steunpunt voor het zeil. Maar dit moet ook nog aan den anderen kant worden vastgehouden, om wind te kunnen vangen. Hiervoor dient nu de schoot, een stevig touw, dat [8]aan den beneden hoek van het zeil, aan de giek, is vastgemaakt. Met de schoot kan men het zeil naar zich toe halen of van zich af laten; men kan de schoot aanhalen of vieren. Nu echter is het zeil gestreken, want om tegen wind in te zeilen is het Maasje te smal.
Aan een groot vaartuig—een volgetuigd schip, zou Thijs zeggen,—zijn natuurlijk nog wel 100 verschillende deelen, maar die boezemen ons nu geen belang in.
Onder vroolijke scherts gaat de tijd snel voorbij en de jongelui zijn te Gansoijen eer zij het weten. In dit gehucht zullen ze uitstappen. Behalve een brugwachter woonden hier slechts een 3-tal huisgezinnen. In vroeger tijden stond er ook een kasteel, doch op dit oogenblik wees eenig puin nog slechts de plek aan, waar een 20-tal jaren vroeger zich een oude, wankele toren bevond. Op deze plaats, die wat hooger gelegen, en van struiken en heesters omgeven was, werd alles voor eene gezellige pic-nic in gereedheid gebracht. De hengselmand werd geopend en de inhoud op een servet uitgespreid.

Wat kwam er al niet uit dien korf te voorschijn? Er leek geen einde aan te komen. Broodjes met rookvleesch, boterhammen met koek, krentenbollen, [9]een ketel met melk, heerlijke appels, suikerperen en ten slotte nog een half fleschje frambozenlimonade.
„’t Is een maaltijd, die de ridders van voorheen uit dit kasteel ons zouden benijd hebben,” sprak Stans.
De jongelui sleten aangename oogenblikken op de fondamenten van het kasteel.
Ze bemerkten onder den maaltijd, gepaard met scherts en gezang, niet, dat de tijd ongemerkt voortging en dat ook de lucht betrok. Dreigende wolkenmassa’s pakten zich samen. Een dof gerommel in de verte doet allen opschrikken. Spoedig is het kamp opgebroken en zijn zij op weg naar de boot. De bui drijft gelukkig af, zoodat de vroolijkheid er niet door verstoord wordt. Toch zet Anton zijne metgezellen tot spoed aan, want het weêr blijkt niet te vertrouwen.
Terwijl Constans nog op den wal staat, geeft de kapitein zijne bevelen. De jongens maken de touwen los, waarmede gaffel en giek en daartusschen het zeil, zijn bijeen gebonden.
Het zeil wordt geheschen en ook het meisje stapt in de boot.
De wind waait uit het Zuid-Oosten en is aanmerkelijk sterker, dan voor eenige uren. [10]
Het kleine vaartuig neemt spoedig een flinke vaart. Anton heeft plaats genomen bij het roer en wijst het voorstel van den kapitein, die zelf wilde sturen, beslist van de hand. De jongen is zijne verantwoording ten volle bewust. Had Thijs geweten, dat de wind zou opsteken, de mast had nu niet op de boot gestaan.
De stuurman neemt weinig deel aan de luidruchtige gesprekken zijner kameraads, die opgetogen zijn over de gemakkelijkheid, waarmede de boot over het water schiet.
Zacht wiegt het ranke vaartuig op de baren en alles lokt tot zingen uit. Weldra klinkt een lustig lied uit volle borst over de watervlakte, en als alles goed gaat, stemt ook de schipper van harte mee in.
Toch verliest hij Pieter, die de schoot heeft, geen oogenblik uit het oog. Hij neemt dien bij elke kronkeling der rivier van hem over. De wind steekt inmiddels meer en meer op en doet het zeil sterker spannen. De bemanning vindt natuurlijk de snelle vaart overheerlijk en ook Anton verheugt zich over de voorspoedige reis. Reeds is het veerhuis in het gezicht, toen er iets gebeurt, dat hun noodzaakt te stoppen. Door de kracht van den wind raakte het touw los, waarmede [11]de katrol boven aan den mast vastgemaakt was. Spoedig zou de katrol en daarmede het zeil naar beneden rollen, indien de knoop niet wat sterker aangehaald werd.
Anton stelde voor verder naar huis te roeien, maar dit voorstel ontmoette de heftigste tegenkanting van alle zijden. De jongens hadden er zoo op gehoopt om met flinke vaart te Drongelen aan te komen, dat ze zich het genoegen niet wilden ontzeggen om zich door de daar verzamelde jeugd te laten bewonderen. Ook Constans trekt een pruilend lipje en dit doet Anton ten slotte toegeven. Of de kapitein al beval om de schade te herstellen, legde weinig gewicht in de schaal. Deze, altijd haantje de voorste, wilde reeds dadelijk in den mast klimmen, doch Toon weerhield hem. Eerst het zeil strijken en de boot met den kop in den wind leggen. Spoedig was hij bij de katrol en trachtte hij den knoop vaster aan te halen. Met ééne hand ging dat echter niet gemakkelijk.
Aller blikken waren omhoog gericht en daardoor ontging het den jongens en ook Anton, die Roelof aanwijzingen gaf, dat het bootje met het getij afdreef. Op eens kreeg het een hevigen schok en met schrik bemerkte Toon, dat het vaartuig dwars in den wind gedreven was. [12]
„Er uit, er uit!” riep hij Roelof toe, doch eer deze tijd had het gevaar te beseffen en vóór Anton het roer kon grijpen, deed een hevige rukwind het bootje kantelen, dat door den toplast van Roelof zeer wankel op het water lag.
Allen vielen in het water.
Anton, die de beste zwemmer was, kwam het eerst boven. Het bootje lag overzij en gevaar, dat er iemand onderlag, was er niet.
Weldra klemden ook de andere jongen zich vast aan de kiel van het vaartuig. Roelof was een eind ver weggeslingerd, maar daar hij ook wat zwemmen kon, zat hij spoedig met de anderen buiten adem op de gekantelde boot.
„Waar is Stans?”—
Deze vraag gelijktijdig geuit, deed de doodelijk verschrikte jongens nog meer ontstellen.
„O hemel, waar is Stans?”—
Roelof duizelde en Pieter moest hem ondersteunen, opdat hij niet achterover in ’t water zoude slaan.
Eer iemand er op verdacht kon zijn, was Toon reeds te water gesprongen.
Het meisje, dat niet zwemmen kon, zat vóór in de boot. Zeker zou ze met het tij reeds een eind ver afgedreven zijn. [13]
De moedige zwemmer begreep spoedig, waarheen hij zich wenden moest.
Reeds tweemaal was hij gedoken, toen hem toegeroepen werd: „vooruit, recht vooruit, daar is ze even boven geweest.” Werkelijk verscheen ze het volgende oogenblik weer. De dappere jongen verdubbelde zijne slagen. Nog 2 krachtige stooten, even duiken, hoera! daar had hij het meisje vast.
Een vreugdekreet weerklonk van de boot.
Spoedig evenwel verstomde dat geluid.
„O God, ze is dood!” riep Roelof. De andere jongens moesten hem met geweld weerhouden, anders ware hij te water gesprongen, waar hij alleen met moeite zich zelve redden kon.
Anton had intusschen het meisje vóór zich genomen en met korte stootjes duwde hij de drenkelinge voor zich uit. Het kostte hem de grootste krachtsinspanning met haar boven te blijven. Om vrijer te zijn in zijne bewegingen hield hij haar niet vast, maar gaf haar telkens een duwtje. Hij zelve ging door den stoot onder water, maar met één slag was hij weer boven, waarna hij dan dezelfde beweging herhaalde.
Zelfs voor iemand, die niet zwemmen kan, is het gemakkelijk te begrijpen, dat deze herhaalde beweging uiterst vermoeiend is, al is het ook de [14]veiligste manier. Immers, wanneer de drenkeling zich aan den redder vastklemt, zijn beiden verloren.
Op de boot zat men onderwijl niet stil.
De schoot werd losgesneden en aan een riem bevestigd. Deze werd naar Anton geduwd, die zoo goed als niets vooruit kwam. Het leek zelfs of hij afdreef.
De lijn en het hout waren echter te kort en een tweede stuk touw werd er aan vastgeknoopt, maar het was te laat. Redder en drenkeling verdwenen in de diepte.
Nu was het Piet’s beurt om te handelen. In het water springen en zich ijlings aan den riem vast grijpen, was het werk van een oogenblik. Toon, die het meisje nog vast had, kwam boven en werd door Piet bij de haren en daarna bij zijn arm gegrepen. In weinige oogenblikken waren nu allen op het wrak getrokken.
Constans gaf geen teeken van leven meer.
De wanhoopskreten der jongens werden afgewisseld door knetterende donderslagen. Schelle bliksemflitsen doorkliefden de lucht.
Toon, altijd de flinkste, hing buiten adem over den mast. Hij was meer dood dan levend.
Dikke druppels vielen neer en de lucht was donker, maar donkerder nog was het in de [15]harten der jongens. Ze waren de wanhoop nabij.
Moest het meisje nu sterven bij gebrek aan hulp! „O Stans, o mama!” kreet Roelof.
Als de nood op het hoogst is, is de redding nabij. Overstelpt door schrik en angst hadden de jongens niet bemerkt, dat de veerboot snel naderde. Reeds van verre had Thijs, die op den uitkijk stond, het zeil bemerkt. Toen hij het plotseling zag verdwijnen, had hij alles in den steek gelaten en was zoo snel zijne stramme leden het toelieten, naar de plaats des onheus geroeid. Juist toen hij even opkeek, had hij het tweetal in het water zien liggen en hij repte zich met bovenmenschelijke kracht. Het zweet liep hem tappelings langs het gelaat en doorweekte zijn boezeroen. In minder dan geen tijd lag hij langs het wrak. Spoedig waren allen in de boot. Thijs gaf de riemen aan zijn kleinzoon, die weer wat hersteld was van zijn vermoeienis en maande hem tot dubbele spoed aan. Hij zelf nam het meisje en trachtte de levensgeesten weder op te wekken. Eerst scheen het of ze niet weder herstellen zou, doch ten laatste, nadat de oude er alles mee beproefd had, voorover houden en achterover liggen, kwam er eindelijk een golf [16]water uit haar mond. Zij zuchtte en de ademhaling was weder merkbaar. Toch bleef ze bewusteloos.
Nu kwam het er maar op aan zoo spoedig mogelijk thuis te wezen. Thijs nam zelf weder de riemen en in weinige minuten waren ze aan den veerdam, waar ze door de ontstelde menigte werden opgewacht.
Reeds van verre had men bespeurd, dat er iets gebeurd was. Alleen de burgemeester en mijnheer Den Bosch, die de kinderen zouden afhalen, vermoedden het ergste en liepen hevig ontsteld langs den waterkant. De laatste had het eerst weder zijne zinnen bij elkaar, toen hij den toestand overzien had.
Constans werd onmiddellijk binnengebracht, ontkleed en tusschen wollen dekens en warme kruiken op bed gebracht. Eerst toen de vader zijn kind de oogen zag opslaan kwam hij wat tot bedaren. De goede man zag bleek als een doode en beefde als een riet. Van den Hoven gaf hem een glas water en toen nu inmiddels de anderen verkleed, en eveneens van den schrik bekomen waren, was hij genoegzaam hersteld om het verhaal van het ongeluk aan te hooren.
Trillend van opgewondenheid vertelde Roelof [17]in levendige kleuren den moed, de zelfopoffering en het beleid van Toon, en de dankbare vader drukte den flinken jongen aan de borst. Zijn gemoed was te vol om te kunnen spreken. Alle omstanders drukten den moedigen knaap de hand en prezen om ’t zeerst zijn gedrag. De grootvader was inmiddels verdwenen en bevond zich weder op de pont.
Constans was in een rustigen slaap gevallen.
De heer Den Bosch wist den burgemeester te overreden om naar huis te gaan. Het was beter, dat hij zelf aan zijne vrouw de eerste tijding bracht. Een ander zou natuurlijk het bericht, zooals het gewoonlijk gaat, vreeselijk overdreven overbrengen en mevrouw zou doodelijk ontstellen.
De burgemeester zag dan ook het verstandige van den raad in en begaf zich op weg. Hij zou ook juffrouw Den Bosch met het geval in kennis stellen, en zijn rijtuig naar het veer sturen om allen af te halen.
Toen dit aankwam was het lieve meisje weder genoegzaam hersteld om vervoerd te kunnen worden. Goed ingepakt werd ze achter in den tentwagen geplaatst en weldra waren allen thuis.
De moeder sloot haar kind in de armen en overdekte haar met duizend kussen. Tranen van [18]aandoening en dankbaarheid rolden over haar vriendelijk gelaat. Constans werd weder te bed gebracht en mevrouw bleef den ganschen nacht bij hare lieveling.
Den volgenden dag is het rijtuig van den burgemeester reeds vroeg aan het Drongelsche veer. De morgenschooltijd is nauwelijks geëindigd, als mevrouw Van den Oever uitstapt en zich in de zijkamer van het veerhuis begeeft. Ge begrijpt zeker allen, waarom.
Toon wordt bij haar gebracht en nauwelijks heeft de beminnelijke dame den redder van haar kind bij zich in de kamer, of ze sluit den verlegen knaap aan de borst. Door aandoening overmeesterd dankt ze hem met afgebroken zinnen en kust hem op het voorhoofd.
Mijn lieve, beste jongen, roept ze telkens uit, dappere redder van mijn kind.
Toon kan zich niet langer goedhouden. Ook bij hem komen de waterlanders voor den dag en hij is hartelijk blijde, als hij ’s middags weer goed en wel in school zit. [19]
De schoone heerenhofstede Vrederust is op eenigen afstand van den Provincialen weg gelegen en door eene mooie laan met iepenboomen ermede verbonden. Eene groote poort scheidt het erf van den doodloopenden dorpsweg en deze wordt meestal gebruikt als uitgang voor karren en boerenwagens, in één woord voor alles, wat betrekking heeft op de boerderij. Van deze zijde, dus van den dorpskant gezien, komt de huizinge niet op zijn voordeeligst uit. Men ziet hier slechts de achterzijde. Het woonhuis vindt men aan den anderen kant, dus van den weg, en de ramen hebben een schoon uitzicht over den tuin en de velden, die voor een groot deel bij het goed behooren. De ruime en geriefelijke woning is geheel omgeven door een prachtigen tuin, ruim voorzien van de fijnste vruchtboomen. Deels bloemhof, deels moestuin, zijn de sierheesters, treurboomen en rozestruiken naast bessen- en kruisbessen boompjes, [20]frambozen, appel- en pereboomen, perziken en abrikozen geplaatst, doch zóó, dat het geheel toch fraai is. Leiboomen ziet men tegen de schutting en den muur van het koetshuis. Het schoonste punt is echter de groote kastanjeboom voor de woonkamer en daaronder de ruime plaats met vaste banken en tuinmeubelen.
Het is in den namiddag en mooi weder. De familie is juist aan de theetafel. Ongaarne zouden ouders en kinderen dit gezellige uurtje na schooltijd willen missen. De burgemeester is rustig in een gemakkelijken leunstoel gezeten. Hij heeft eene Goudsche pijp in den mond en blaast met welgevallen kleine rookwolkjes in kringetjes naar boven.
Het ongeluk voor eenige dagen heeft geene sporen bij Constans achtergelaten. Misschien is ze nog wat bleek, maar dat heeft niets te beteekenen. De dokter heeft haar den avond van het ongeluk reeds geheel buiten gevaar verklaard. Had ze denzelfden tijd in eene Amsterdamsche gracht gelegen, er zou geen of zeer weinig hoop op herstel geweest zijn. Het helder stroomend water evenwel zal haar geen kwaad doen, zeide hij.
„Zou Toon nog hier komen, Roel,” alzoo leidt Constans het gesprek in, „hij komt immers gewoonlijk ’s Woensdags op ’t dorp.” [21]
„Ik zou het niet denken,” antwoordt deze, „anders was hij wel hier geweest.”—
„Welneen, mijn kind,” zegt mevrouw, terwijl ze van haar naaiwerk op ziet. „De jongen is veel te bescheiden om zich te durven vertoonen; die goede, beste Toon! Wat houd ik veel van hem! Wist ik maar, hoe ik hem voor zijn kloeke, edelmoedige daad beloonen kon.” En zij nam haar dochtertje in de armen, als vreesde ze haar nog te moeten beschermen tegen het gevaar van eergister.
„Een flinke jongen is hij,” sprak nu de burgemeester, die tot nu toe slechts geluisterd en met kleine teugjes zijn thee gedronken had. „Er zit pit in dien knaap. Jammer alleen, dat hij zich zoo doldriftig kan maken. ’t Schijnt een familiekwaal, tenminste Thijs is er zeer bang voor.”
„Kom, Pa, zoo erg is het toch niet. Toon is de goedheid zelve. Alleen als hij getergd wordt, dan is hij om bang van te worden.”—
„Nu ja, erg of niet erg, dat doet hier eigenlijk niets ter zake. Wij zijn hem ten hoogste verplicht en we dienen hem schitterend te beloonen.”—
„En onze belooning zal aan geen onwaardige besteed zijn,” zoo vervolgt mevrouw, terwijl mijnheer met aandacht zijn thee omroert. „Van het oogenblik, [22]dat ik den jongen zag, gevoelde ik me tot hem aangetrokken.—
„Pa en ik hebben nu iets voor hem bedacht, dat hem bepaald veel genoegen zal doen en we hebben tevens een middel gevonden om u allen schadeloos te stellen voor het minder prettige zeiltochtje. Me dunkt, we kunnen Anton geen grooter vreugde bereiden, zoo nu als in de toekomst, dan om zijne opvoeding ter harte te nemen. Zijn grootvader meent het wel heel goed met hem, maar èn kennis èn geld ontbreekt hem. Alleen wat de vorming van het hart betreft, zou de oude zeeman menig geleerde een lesje kunnen geven. Toon moet zeeman worden, ten minste, dat staat bij beiden vast. Wie weet, wat er nog van hem bij goede leiding, groeien kan. We zullen hem voorloopig door de heeren Den Bosch en Zwart lessen doen geven en dan ondertusschen in overleg met deze plannen maken voor de toekomst.—
„Hoe vinden jelui dit plannetje?”—
„O, heerlijk moe, prachtig, wat zal Toon blij wezen, en Thijs niet minder!”—
„Maar nu het andere. Hoe zou je er over denken om Zaterdag eens een flinke kinderpartij te geven? ’s Morgens een rijtoer met den bolderwagen, b.v. naar Neder-Hemert, ’s middags laat eten, dan [23]spelen en vervolgens ’s avonds chocolade met wafels.”
„Lieve, beste moe, wat weet u toch goed, wat wij graag willen,” vleide Stans en ze kuste haar moeder, dat het klapte.
De burgemeester stond op. „Is je werk al af, kinderen?”
„Natuurlijk niet, pa, we komen immers pas uit school.”
„Ja, dat is waar ook. Ik meende je mee te nemen naar Drongelen, maar het werk gaat voor.”—
„En ’t is morgen geen school, pa. ’t Is immers onderwijzersvergadering. U zou er zelf nog wel heen om eene lezing te hooren.”—
„Jongen, ja, dat had ik vergeten. Nu, moeder, maak dan maar vlug een paar boterhammen voor de kinderen. Ik moet nog even op ’t raadhuis te Drongelen wezen en dan kunnen ze meteen hunne vriendjes daar vragen. Maar nog niets zeggen van de studie, begrepen! Dat moet eene verrassing blijven.”—
Terwijl de burgemeester in zijn kantoor gaat en een paar boeken in een portefeuille doet, eten Roelof en Stans vlug hunne boterhammen. Weldra zijn allen klaar en vroolijk stappen de kinderen met hun vader mee. [24]
De Zaterdagmorgen beloofde niet veel goeds.
’s Morgens om 5 uur was Roelof reeds uit het bed om naar ’t weêr te zien. Het regende dikke droppels en de lucht was zwaar bewolkt. Met een onbehagelijk gevoel kroop hij weer onder de wol. De zon stond reeds hoog aan den hemel toen hij gewekt werd.
„Jongen wat slaap je lang, zus is al gekleed.” Met een sprong was hij het bed uit. „Dat valt mee, moe,” zegt hij terwijl hij naar het raam loopt en de zon vroolijk ziet schijnen. „Van morgen vroeg was het niet pluis. Hoe laat is het?”
„Half acht, vent! Janus heeft Bles al uit het land gehaald. ’t Is hoog tijd; om acht uur komen de gasten.”—
Roelof is in een oogenblik gewasschen en gekleed en treedt spoedig de huiskamer binnen, waar zijn zusje hem reeds wacht met het ontbijt. [25]
Geen kwartier later zijn beiden op de laan en zien uit, of hunne vriendjes reeds in aantocht zijn.
Werkelijk naderen Anton met de beide jongens Zwart reeds in de verte en eer deze Vrederust bereikt hebben, zijn ook de Eethensche jongens en de twee vriendinnetjes van Stans reeds aangekomen.
De jeugdige gasten worden in de huiskamer gelaten, waar ze door mevrouw hartelijk verwelkomd worden; Anton niet het minst. De burgemeester wilde hem al dadelijk in een armstoel doen plaats nemen, als de held van den dag. Met veel takt wist mevrouw echter dit gevaar voor Toon af te leiden. De vriendelijke dame begreep zeer goed, dat dit niet de manier was om den jongen op zijn gemak te zetten.
Roelof gaat even naar boven om zijn pet te halen. Als hij terugkomt, geeft Stans hem een knipoogje, wijst ongemerkt naar zijn opgevulde binnenzak en geeft hem de pet, die aan den knop van zijn stoel hing. Hij wil nu maar dadelijk vertrekken, want met een zak vol cigaretten acht hij het bij pa en moe niet erg vertrouwd. Juist brengt de meid een groote kan versche melk met glazen. Zijn geduld wordt echter op geen zware proef gesteld, want Janus tikt met de zweep tegen de ruiten. [26]
Het vroolijke troepje stormt naar buiten en neemt plaats op den bolderwagen.
Heel gemakkelijk rijdt zoo’n wagen op lage wieltjes en zonder veeren wel niet, maar dat is niet erg; er kunnen er veel op.
Janus, de oude knecht stond brommende den halster om den nek van het paard te binden. Toch zag hij er niet onprettig uit. Zijn pet zit hem diep over het voorhoofd. Een grijs ringbaardje verbreedt het toch niet smalle aangezicht nog meer. De klompen heeft hij voor deze gelegenheid met lederen pantoffels verwisseld; een zwarte das is tweemaal om zijn hals gewonden; op de klepbroek bengelt een koperen kettinkje met twee horlogesleuteltjes.
Janus is al meer dan veertig jaren in dienst van de familie Van den Oever. Oorspronkelijk was hij bouwknecht. Hij is reeds getuige geweest van veel lief en leed van de familie en reed den tegenwoordigen burgemeester als jongen op zijn knie.
Voor geen geld zou de burgemeester den trouwen knecht missen. Voor de kinderen is hij bezorgd als eene moeder, al bromt hij er den ganschen dag op. Niemand weet beter dan hij, wanneer de groenten gezaaid, de aardappelen gepoot, of de wingerd gesnoeid moeten worden. Geen, die beter de eieren [27]kan vinden, welke kippen en eenden wegstoppen in de groote schuur of buiten op het erf. Verder is hij boodschaplooper voor mijnheer en mevrouw en koetsier. Ten slotte brengt hij Vrijdags boter ter markt en drijft den handel in eieren en jonge hanen. In één woord, hij is onmisbaar op Vrederust.
Eene rare gewoonte heeft hij en die maakt hem juist zoo vermakelijk. Dat is zijn brommen. Hij bromt altijd. Geen kip is voor hem veilig, en toch meent hij er niets van.
„Als hij bromt,” zegt Roelof, „dan kun je alles met hem doen, maar o wee, als hij ophoudt. Dan is ’t geraden om zijn zin te doen.”
De kinderen zoeken op den rolwagen elk een plaatsje.
„Nog niet klaar? Zit dan stil. Geen oogenblik bedaard. Net jonge schapen. Vort Bles, vort! Heb jij ook al haast! Niet te hard. Loop dan door! De klap weer van de zweep! Lastige jongens, overal aanzitten!” Zoo bromt onze Janus maar zonder ophouden door.—Dan is zijn pijpje verstopt, dan weer deugt de tabak niet of kan hij zijn lucifers niet vinden. ’t Is hem nooit goed.
Roel geeft hem een sigaar. Hij heeft er 6 gekocht, voor een dubbeltje, allemaal voor Janus, want de kinderen houden toch veel van hem. [28]
„Weer sigaren gekocht,” bromt Janus, „kan niet op, verboden waar, trekken slecht;” zoo gaat het verder, onder het vroolijk gejuich van knapen en meisjes, die het uitgieren van lachen, als Janus ten laatste zijne hooge ontevredenheid te kennen geeft zelfs over de plasjes op den weg, de boomen die geen schaduw geven, de hoed van een voorbijgaande dame, en eindelijk over den bolderwagen, die misschien droog zal loopen, wijl hij zelf het smeren verzuimd heeft.
Toon zit bij den voerman. In de verte zeult een vrouwtje met een grooten korf. „Mee laten rijden nietwaar Roei?”
„Ja, zeker, wie is het?”—
„Ik geloof waarlijk de moeder van den Rooie.”—
„Dan kan ze wel loopen, hoor. Die mag onze vreugde niet bederven.”—
„Hé, Roel, dat staatje niet mooi,” zegt Anton; „kan die ouwe ziel het helpen? Ze heeft er misschien genoeg verdriet van, dat Dirk zoo is.”
Janus houdt Bles in. Hij bromt over te veel volk in den wagen en later over den korf, die hem te groot is. Toch riep hij al ho tegen het paard, eer de jongens het hem vroegen.
Toon maakte een praatje met de vrouw, een pittig, helder, klein wijfje van ruim vijftig jaar. [29]Ze had eene neepjes muts op en een blauwe boezelaar voor.
„Moet je nog naar Heusden, vrouw Oudkoop?”—
„Ja, jongen, dat moet ik. Ik moet eieren weg brengen, zie je. D’r bennen er 110 in en ze gelden wel 4 en een halve cent, kijk eens aan. Ik verkoop ze langs de deur en de minse hebben ze graag zie je. Van m’n zoon, een bovenste beste jongen, hoor, daar willen ze niet van koopen. Hij is zoo niet bekend met de minse, zie je, anders een beste jongen.”
„Een beste jongen,” grinnikt Roelof, en Janus bromt: „galgenaas, zeg ik, beste jongen, bovenst ja, hoogste galg, mooie beste jongen, deugt nergens voor.”—
Toon wil het vrouwtje hare illusie echter niet ontnemen. Toch wil hij er meer van weten en het oudje schijnt wel niets liever dan van haar jongen te vertellen.
Haar man, aldus deelt ze met veel „zie je’s” met hare radde tong mede, was zoo veul als een dronkaard. Dirk evenwel paste goed op. Van zijn weekgeld gaf hij altijd trouw de helft af. Dat hij zoo weinig verdiende, kwam van den slappen tijd. Nu ging ze de eieren verkoopen, want d’r jongen moest voor den winter eene nieuwe [30]jas hebben. Ze had nog wat geld bespaard en voor negen gulden wist ze een kostelijke jas te krijgen. Hij was toch zoo’n goeie jongen, hij had haar laatst nog eene nieuwe muts gekocht; eens had hij drie nachten bij haar gewaakt, toen zij ziek was.—Zoo vertelde ze nog heel wat deugden van haar zoon.
Toen ze te Heusden waren, bedankte het moedertje met een stroom van woorden, natuurlijk weder tegen Janus zin.
„Die Rooie is toch nog zoo kwaad niet, als ik dacht,” zegt Roelof, toen ze weg was.
„Neen waarachtig,” antwoordt Toon. „Ik had eerst medelijden met den sukkel, maar nu valt hij me toch nog mee. Al heb ik nog zoo’n hekel aan Dirk, ik moet toch zeggen, dat er ook iets goeds in hem zit.”
De jongelui stapten onderwijl ook uit. Met den bolderwagen door de stad rijden, zou wat al te veel gevergd zijn van den samenhang van spieren en gebeente.
Bovendien had ieder zijne boodschappen. Roelof moest vliegertouw koopen, Stans bitterkoekjes en flikjes, voor onderweg, Pieter moest koffie en suiker bestellen voor zijne moeder en een der twee boerinnetjes een drankje bij den veearts halen. [31]
Anton moest een horloge laten maken. ’t Was van zijn grootvaders vader geweest en nu voor hem bestemd.
„Een aardig knolletje,” merkt Piet op, en zijn broer voegt er bij, „die van Janus kan er wel grootvader tegen zeggen.” „Weet je wat, Toon,” zegt Roei, „laat het werk er uitnemen en gebruik het voor tabaksdoos.” „Neen voor turf hok,” grinnikt Hendrik weder en allen lachen hartelijk mee.
„Goed,” zei Toon, insgelijks lachend, „maar dan moet je mij om het hok te sluiten de ketting leenen, die je Zondags draagt. Je 10 centime stuk kan je wel in de voering van je vestzak laten naaien, als je bang bent, dat het weg zal loopen.” Hendrik zweeg, maar zijn kameraads proestten het uit. Inderdaad droeg Hendrik nu en dan een horlogeketting met een Fransche geldstuk voor uurwerk er aan.
Janus stond al geruimen tijd aan de Herptsche poort te wachten. „Bromt ie nog,” vroeg Piet aan Roel, die den voerman zijn 3e sigaar gaf. „Hij heeft het over muggen en vliegen, maar stijg nu vlug in, anders zwijgt Janus,” is het antwoord.
Janus is echter in te goede luim om zijn brommen te laten en neemt met welgevallen zijn sigaar onder handen. „Hij weet er vlug weg mee,” zegt Piet. [32]
„Geen wonder,” roept Toon naar achter, „hij rookt de eene, en kauwt de andere helft.”
Onder dergelijke scherts rijden ze naar het eiland. Janus schijnt niet te hooren, dat hij het mikpunt der grappen is. Dat is zoo zijne gewoonte. Hij schijnt nooit iets op te merken. Toch begrijpt hij alles.
Toon spant zijne krachten in, om Janus aan ’t praten te krijgen, maar hoe meer hij zijn best doet, hoe harder zijn buurman bromt.
Roei heeft onderwijl zijne metgezellen in den bak een wenk gegeven. Allen verlaten heimelijk den wagen, wat zeer gemakkelijk gaat bij een rolwagen. Ze kruipen achter het geboomte en proesten het uit, want Toon noch Janus schijnen het te merken. Plotseling houdt de wagen op.
„Mot je d’er ook af,” vraagt de brompot. „Niet? Ook goed. Vort Bles, houd je staart stil, knol. Nare vliegen!” en zoo gaat het maar door. Lachend kijkt Toon om, maar wie beschrijft zijn verbazing, nu hij den wagen ledig ziet. Met één sprong staat hij ook op den grond, Janus doet of hij ’t niet merkt. Hij rijdt en bromt door.
Ze komen wel, denkt Toon terwijl hij voetje voor voetje door het gras langs den weg loopt en ijverig zoekt. [33]
„Wat zoek je Toon?” roept het heele gezelschap, dat hem uit de verte gadeslaat en ten slotte nieuwsgierig naar hem toestuift.
„Jelui,” is het laconiek antwoord, waarop allen in een hartelijk gelach uitbarsten.
Het zal onze lezers en lezeressen wellicht verwonderen, dat men zoo zonder varen op een eiland kwam.
Nederhemert, ook wel het Eiland genoemd, is alleen ’s winters geheel door water omgeven. Dan loopt het Heusdensche Gat, zoo heet de doode rivierarm, die tot even voorbij Heusden strekt, door, tot het in een halven cirkel weder de Maas ontmoet. De linker Maasdijk loopt geheel om het Eiland heen, dat niet eens door zomerkaden beschermd wordt. Daarom staat dit bij hoogen waterstand steeds onder water, behoudens enkele deelen, die hooger gelegen zijn en waarop zich ook het schoone kasteel bevindt. De barones van het kasteel is ook eigenares van het geheele eiland, van het hooiland—de waarden—en de schoone bosschen. Het gezelschap dwaalt spoedig onder de hooge boomen, waar de wandeling in naam voor het publiek gesloten is, maar toch steeds oogluikend wordt toegelaten. Het kasteel wordt natuurlijk eerst van alle zijden bekeken. [34]Het is inderdaad een schoon gebouw. Aan den voorkant gelijkt het volkomen op eene prachtige villa. Overigens doet het met den wal en de gracht, die het gebouw en den tuin omringen, nog denken aan een middeleeuwschen burcht. Toch geven hoektorens en wallen het al heel weinig het aanzien van eene versterkte plaats. De wal is een mooie met boomen beplante wandelweg. Vrucht- en treurboomen van grooten omvang hangen over in de gracht. Al dwalende in de bosschen en daarna op de waarden, spreken allen over het kasteel en scheppen droombeelden over het geval, dat zij er eens de heerschers van waren.
Janus is intusschen in de uitspanning van het dorp en vermaakt zich met.… wel natuurlijk, met brommen, en wel voornamelijk op de onhebbelijkheid der walvisschen, om zulke groote ribben te bezitten. Boven de deur der dorpsherberg hangt eene walvischrib uit, moet ge weten.
De jongelui doen zich te goed aan heerlijke zure room. Janus lust die niet. „’s Morgens pap”—bromt hij—„nooit van gehoord—zure pap—varkensvoer—eet pap als je naar bed gaat, zoo hoort het.”
Roelof zou gaarne over Heusden terug; Janus met den wagen achter om en zij over het veer. [35]Van ’t eiland naar de wallen van Heusden is een roeibootveer. Ook den jongens lokt dit aan.
Stans heeft weinig zin, maar Janus nog minder. „Mag niet roeien,” bromt deze.
„’t Is immers geen roeien, we worden maar over gezet,” zegt Roelof.
„Niet roeien”—klinkt Janus’ bromgeluid—„Mooi zoo—pollepelen dan,” maar op eens kijkt hij effen. „’t Gebeurt niet,” zegt hij kalm en steekt terwijl een reusachtig stuk brood met spek in den mond, „ik houd me aan ’t voorschrift.”
„Laten we dan maar gaan,” herneemt Roelof, nu hij ziet, dat er toch niets aan te doen is.
Het paard wordt ingespannen en over Aalburg, waar een pontveer is, rijden ze huiswaarts, waar zij in eene opgeruimde stemming aankomen. Ze hebben flinken honger. Een enkel bordje room beteekent immers niets voor gezonde magen.
Het eten is spoedig op tafel. De knapen en meisjes laten zich het heerlijke rundvleesch, en aardappelen met snijboontjes goed smaken. De schotel met pannekoeken is ook weldra verdwenen, zoodat nieuwe aanvoer uit de keuken noodig is. Maar ook jongensmagen zijn eindelijk verzadigd en na gedankt te hebben, stormen allen den tuin in om te zien of er ook rijpe peren en appels [36]hangen. Ook mevrouw gaat mede tot aller vreugde en ieder moest getuigen nog nooit zoo’n heerlijken middag te hebben doorgebracht als toen in burgemeesters tuin.
We zullen echter de luidjes verder alleen laten en liever straks nog eens terug komen. [37]
Nu de lamp is aangestoken, treden we de huiskamer van Vrederust weder binnen. Een vroolijk geruisch van stemmen klinkt ons tegen. De kinderen lijken wel onvermoeid en.… niet te verzadigen; op de tafel staat een groote schotel met wafels. Daarnaast prijkt eene mand met sappige peren, terwijl bordjes en kopjes overal verspreid zijn. De tafel is op zijde geschoven en het heele gezelschap bevindt zich op den vloer. Toon zal, op eene liggende flesch gezeten, met een brandenden lucifer in de eene hand een zwavel in de andere aansteken, maar telkens rolt hij onder schaterend gelach omver. Een oogenblik later worden Roelof de handen saâmgebonden met een zakdoek. Nu moet hij trachten de beide beenen tusschen de handen door te steken. Hij laat zich duchtig beetnemen, want als hem de toer is gelukt, ligt hij geheel weerloos. De meisjes trekken hem links en rechts; de jongens kittelen [38]hem en eerst als de kopjes weder gevuld worden, mag hij los.
De andere gasten zijn in de voorkamer bijeen, waar het er recht huiselijk en gezellig uitziet.
We vinden hier de heeren Den Bosch en Zwart met hunne echtgenooten en Thijs Groen. De laatste is op dringend verzoek van den heer en mevrouw Van den Oever mede gekomen. Hij zelf had liever thuis gebleven. Mevrouw had hem echter zoo hartelijk ontvangen, dat zijne verlegenheid spoedig verdween, en hij zich na korten tijd volkomen thuis gevoelde.
De vooravond werd doorgebracht in gezelligen kout. Onder het genot van een heerlijk kopje chocolade met banket vloog de tijd om en het was negen uur eer men het wist.
De burgemeester zag op zijn horloge en keek zijne vrouw aan. „Zullen we de jongelui nu maar binnen laten komen?” Na toestemmend antwoord schelde hij de meid en vroeg deze, de kinderen te willen roepen.
Het vroolijk gedruisch in de achterkamer verstomde weldra en de jongens en meisjes, hunne kleederen goed trekkende en de haren opstrijkende, traden binnen. Er stonden nog stoelen langs den wand en schuifelend zouden de jongelui op eene rij [39]achter af hebben plaats genomen, indien niet mevrouw ware opgestaan, om het werk van haren echtvriend over te nemen.
„Kom, kom, het lijkt hier wel een 1e en 2e rang. Anton, schuif je stoel eens bij en kom eens naast me zitten. Hier zusje, aan mijne andere zijde, naast juffrouw Zwart. Zeker, Roelof, zet je maar naast Groen neer. De kinderen zoeken u altijd, niet waar Thijs?”—
„Och, mevrouw, dat is steeds al zoo geweest. Als ik bij den kapitein kom, is het net zoo, dat wil zeggen vroeger. De jongste is nu ook al haast volwassen.”—
„Toe, jongens, schuif wat bij. Niet te veel bij elkaar,” zegt mevrouw lachend, „we moeten eene bonte rij hebben, dat is gezellig.”
„En nu eene aanspraak, hoor pa, eene sierlijke, dan trekken we allen een deftig gezicht, niet waar Toon?”—
Allen lachen hartelijk met mevrouw mede en het ijs is gebroken. De gedwongenheid van zoo even heeft plaats gemaakt voor gezellige gesprekken, en zelfs de boerenmeisjes hebben hunne verlegenheid al spoedig afgelegd.
De burgemeester tikt met zijn lepeltje tegen zijn chocoladekop en staat op. [40]
„Waarde vrienden!” zoo begint hij, „we hebben getracht, mijne vrouw en ik, om dezen dag tot een feestdag te maken voor onze jeugdige gasten. Wanneer ik het jolige troepje overzie, geloof ik wel reden tot voldoening te mogen hebben.
„Om nu aan ons feestje meer luister bij te zetten, hebben we de geachte dames en heeren hier tegenwoordig, uitgenoodigd, getuige te zijn van onze vreugde. En waarlijk, onze blijdschap is groot. Onze lieve dochter is van een bijna wissen dood gered door de kloeke en cordate houding van onzen jongen vriend Anton. Ik weet geen woorden te vinden, beste jongen, om u onze dankbaarheid te toonen, maar ook, we kunnen niet genoeg bewonderen uwen moed en zelfopoffering. Zonder u waren we nu in diepen rouw. Toch zou uwe edele daad misschien nog vruchteloos geweest zijn, indien niet uw brave grootvader, ons aller vriend, te rechter tijd gekomen ware om door welgeslaagde middelen de levensgeesten onzer lieveling weder op te wekken.
„Wanneer we nu u beloonen willen voor de redding van Stans, dan moet je niet denken, en u ook niet Thijs, dat we onze dankbaarheid beschouwen als eene schuld, die we zoo gauw mogelijk willen afdoen. Integendeel, steeds zullen we blijven [41]gevoelen, wat ge voor ons deedt en we zullen uwe vriendschap op den hoogsten prijs stellen.
„We weten, beste jongen, dat ge gaarne werkt en studeert om vooruit te komen in de wereld en daarom kunnen we u en uw grootvader misschien van dienst wezen, door u te helpen in uw arbeid voor de toekomst. Met uw grootvader, die vader en moeder beiden voor u is, willen we samenwerken om een flink man van u te maken. Uwe vlijt en oppassendheid tot heden geven reden om te verwachten, dat ge op den ingeslagen weg zult voortgaan en hem tot eer zult strekken.
„Zooals ge reeds meermalen aan uwe kameraden hebt te kennen gegeven, wilt ge naar zee. Nu, daar is carrière genoeg te maken met studie en flinke leiding. Vindt ge nu goed, dat we de volgende regeling treffen, die ik met de heeren hier al afgesproken heb?
„Mijnheer Den Bosch zal u les geven in Nederlandsche taal en Wiskunde en mijnheer Zwart in de vreemde talen. De overige vakken krijg je op de school wel. Ge ontvangt dan les tegelijk met onze kinderen en die van de beide heeren. Wat we verder zullen doen, hangt over één of twee jaren af van uwe keuze. Ge kunt bijvoorbeeld [42]bij de marine komen, bij de groote vaart, de kleine vaart of misschien machinist worden. Enfin, dat is van later zorg. Zeg nu maar of ge ’t goed vindt.”—
Hakkelend en stootend gaf de anders zoo vrijmoedige jongen antwoord. „Ik dank u wel. Ik zal—mijn best doen, burgemeester, mevrouw,” zeide hij, terwijl hij beiden beurtelings de hand gaf.
„Beste Toon,” zeide mevrouw, met eene van aandoening trillende stem, „wat hoop ik innig, dat ge gelukkig moogt worden.” En tot Groen: „God geve het, Thijs.”—„Amen,” zeide deze.
Eenige oogenblikken heerschte eene doodsche stilte in de kamer. Daarop ging de burgemeester verder.
„De studieboeken, welke ge voorloopig noodig hebt, zijn in dit pak. Ook zijn er een paar dictionnaires bij en een Nederlandsch woordenboek. De heeren hier hebben me zoodanige titels van deze opgegeven, dat ge ze later ook kunt gebruiken. En nu geluk er mee, vent.”—
„Maar nu hebt ge nog geen bewijs van mijne erkentelijkheid, Anton,” hernam mevrouw, die opstond, uit eene lade een étui te voorschijn haalde en dit den verlegen jongen ter hand stelde. „Doe het maar open, vent.”
De jongen deed het. Een prachtig, nieuw, zilveren horloge blonk hem tegen. [43]
Mevrouw gaf haar dochtertje een wenk. Deze nam insgelijks een doosje uit dezelfde lade, opende het, en een mooien ketting van het zelfde metaal hield ze in de hand. „Dit is van mij, Toon. Ik heb het zelf gekozen,” en zij hing den overbluften jongen den ketting om den hals en bevestigde er het uurwerk aan.
Hiertegen waren Anton’s zenuwen niet meer bestand. Tranen van aandoening en dankbaarheid druppelden hem langs de wangen. Zijne dankbetuigingen waren nauwelijks hoorbaar.
Ook het gemoed van mevrouw schoot vol en Thijs trok met telkens grooter kracht aan zijne sigaar, om zijne aandoening op deze wijze te verbergen. Toch kon ook hij de waterlanders niet keeren, die opwelden in zijne trouwe oogen.
Het geheele gezelschap raakte nog meer onder den indruk, toen de oude man op stond en met bewogen stem dankte. „Hij is alles, wat ik nog over heb. Vrouw en kinderen zijn me ontnomen en de jongen is mijn leven, mijne eenige hoop in de toekomst. Wat gij nu voor me doet, zal u door God vergolden worden,” zeide de oude man.
Roelof zat al eenigen tijd te wippen op zijn stoel. Nu hij het geschikte oogenblik gekomen achtte, sprong hij op en riep uit: „Lang leve de [44]zeelui, hoera voor Thijs en Anton, hiep, hiep, hoera!”
En allen uitten hunne zenuwachtige opgewondenheid in een luid hoera. De jongelui namen beiden in hun midden en dansten en zongen tot ze buiten adem waren. Hossend gingen ze met Toon de woonkamer weder binnen, waar de vreugde voortduurde tot over tienen. Toen gingen allen huiswaarts, de jongelui blijde en voldaan over het prettige feest, en Toon van de beste voornemens bezield, om zijne beschermers tot eer te strekken. [45]
Het is druk op het Drongelsche veer. Alle handen reppen zich. Thijs brengt met zijn kleinzoon de pont in veiligheid, die stevig vast gesjord wordt, alsof zij den eersten tijd niet gebruikt zal worden. De anderen bergen alles op, wat zich in de omgeving van het veerhuis bevindt en zelfs sommige hekken worden van de palen genomen en in de schuur geborgen.
Er schijnt iets bijzonders op til. Zie maar eens naar het Oude Maasje. Het water staat hoog tegen den wal. Gelukkig, dat het huis en de stal hoog en droog op een heuvel staan, anders liepen beiden gewis onder. In de verte zien we het water reeds over de zomerkade stroomen, eerst langzaam, vervolgens met meer kracht. Er ontstaat eene geul, spoedig is het een gat geworden. De brokken land worden meegesleurd en weldra stroomt het water over het vlakke [46]land. Treedt de rivier dan buiten hare oevers? Welneen, zoover is het gelukkig niet. Aan beide zijden van het Oude Maasje liggen, evenals bij de meeste rivieren, lage dijkjes: de zomerkaden. De dijken zelve liggen verder weg. Aan den Noordkant loopt de dijk langs het dorp, dat is nog geen 200 M. van het riviertje af. Aan de andere zijde echter is de dijk slechts even te zien. Geen wonder trouwens, want die loopt vlak langs Waalwijk, bijna drie kilometer Zuidwaarts. En zal nu al dat land tusschen die dijken overstroomen? Zeer zeker. Gister reeds is de polder van Waalwijk onder geloopen, aan de overzijde van de haven, die deze plaats met het Maasje verbindt. Reeds vroeg in den morgen was er een Baardwijksche boer over het veer gekomen met de tijding, dat het water nog steeds wies en dat de overlaat werkte met eene overstorting van ruim 3 d.M. Het water overstroomt bij eene middelbare overstorting, zooals nu, van 3 tot 4 d.M., al het land tusschen de beide dijken van het Maasje tot aan de Kapelsche haven. Wast het water nog meer, dan loopen ook de buitenpolders onder tot aan den Keizersweg, dat is de straatweg van Breda naar Gorinchem, die indertijd door Napoleon tot beter vervoer zijner troepen is aangelegd. [47]
Het is wel te begrijpen, waarom er nu aan het veerhuis zulk eene drukte en beweging heerschte en welk eene verandering spoedig de omgeving onderging. Weldra stak het huis en een deel van de werf als een eiland uit boven den uitgestrekten waterplas van Drongelen tot de Langstraat en naar Oost en West, zoover men zien kon.
Tegen den middag was alles in veiligheid en Van den Hoven en de zijnen konden met een gerust gemoed de toekomst afwachten. Zelfs al kwam het water in huis, dan nog liep het vee in de stallen geen gevaar. Bovendien was het heele gebouw bij ijsgang voldoende beschermd door boschjes van zware boomen vóór en achter het huis.
De jeugdige lezers en lezeressen zullen misschien vragen: waar kwam toch al dat water vandaan?
Ik zal trachten het u duidelijk te maken, maar dan moet ge uw atlas te voorschijn halen en trouw alles opzoeken, wat ik u opnoem.
In ver vervlogen tijden waren er geene dijken. Als het water in de rivieren hooger en hooger steeg, trad het weldra buiten hare bedding en overstroomde het lage land. Daarom woonden reeds de Batavieren en andere oude bewoners op hoogten [48]of terpen, die men in het land van Heusden en Altena nog overal aantreft.
De Romeinen waren al begonnen om dijken aan te leggen, doch dat ging slechts uiterst langzaam en eerst 1200 jaren later werd de linkeroever van de Maas van een dijk voorzien en wel tot aan de hooge gronden van Oefelt, een dorpje, dat ruim een uur gaans boven Kuyk ligt. De rivierloop is echter van hier tot aan de Merwede zoo kronkelend, dat men terecht vreesde voor overstroomingen bij elken hoogen waterstand. Daarom werd van Grave tot Kuyk zoo goed als geen dijk aangelegd, zoodat het water daar vrij over het veld kan stroomen. Zoo is het tot nu toe gebleven, hoewel er door de vergraving van het Oude Maasje tot een breeden rivierarm weldra een einde aan gemaakt zal worden. Dan stroomt het Maaswater langs Geertruidenberg voortaan in de Amer en het Waalwater door de Merwede. De Maas ontvangt niet meer het overtollige Waalwater bij fort St. Andries door de Heerenwaardsche Overlaat en dit water belet bij hoogen stand het Maaswater niet meer de uitloozing bij Slot Loevestein.
In den tijd, waarvan we nu spreken, was de waterstand in de Maas hoog, maar in de Waal [49]nog hooger en niet alleen, dat de eerste rivier niet geregeld in de Merwede kon afvoeren, maar het moest bij genoemd fort nog een deel van het Waalwater overnemen.
Al dat water van de Maas en soms van de Waal overstroomt dus geheel Noord-Brabant? Wel neen, dat weet ge wel beter. Deze provincie bestaat voor een groot deel uit hooge zandgronden, dat kunt ge op uw atlas wel zien, en daarom overstroomt de Beersche Maas (zoo heet de aldus gevormde rivier) slechts het lage land langs den linker Maasoever en het Bossche Veld. Behalve deze laatste uitgestrekte lage landstreek is de Beersche Maas nergens meer dan een uur gaans breed, want vlak langs de Maas zijn nog verscheidene ingedijkte stukken land, polders genoemd, die vrij van water blijven.
Het water van deze nieuwe rivier stroomt echter niet altijd door de bedding van het oude Maasje naar de Amer. Wanneer dit gebeurt, moet er reeds een tamelijk groote aanvoer wezen. Eerst stroomt het door sluizen in de Dieze, als deze het niet meer verzwelgen kunnen, stroomt het over den Overlaat in den rechter Dieze-dijk, d.i. weder eene verlaging van een deel van dien dijk.
Het gebeurt echter meermalen, dat de Dommel, de Aa en andere riviertjes zooveel water in de [50]Dieze afvoeren, dat de Beersche Maas ook hier niet loozen kan; deze stroomt dus verder, om de wallen van de stad ’s Hertogenbosch heen, langs de dorpen Vlijmen, Nieuwkuyk en Drunen, die door een dijk beschermd zijn. Aan de andere zijde bij Kromvoort zijn het de hooge gronden, die het water tegen houden. Dan komt er van de Maas bij Bokhoven over een overlaat aldaar vaak nog water binnen, doch zoodra de peilschaal in de Maas lager stand aanwijst, werkt die overlaat omgekeerd. Al dat water nu stroomt tusschen twee dijken door bij Baardwijk in de traverse van het oude Maasje. Maar tusschen die beide dijken bij Baardwijk is een lage dwarsdijk—een overlaat weder—en die is 4,12 M. boven Amsterdamsch Peil. Wanneer nu de peilschaal aldaar meer dan 4,12 M. aanwijst, dan stroomt het water over den Baardwijkschen Overlaat en het wordt een toestand, zooals we nu te Drongelen zagen.
Nu begrijpt ge misschien beter, hoe het Oude Maasje soms aan zooveel water komt. Niet altijd is het echter even hoog. Alleen een enkele keer echter is het gebeurd, dat het verbazend hoog water was. Dat was o. a. in het jaar 1799. Niet alleen ontving de Beersche Maas water door de Beersche en Bokhovensche overlaten en van de [51]riviertjes, die in de Dieze uitmonden, maar door den onrustbarend grooten aanvoer van Maaswater, gepaard met ijsverstoppingen in deze rivier, brak de dijk tusschen Grave en ’s Hertogenbosch op verschillende plaatsen door. Al dat water kwam er dus bij. De Baardwijksche overlaat werkte toen met 1,20 M. overstorting, de hoogste waterstand, dien men van dezen vindt opgeteekend. Als we nu weten, dat de Besoyensche polder 0,20 M. boven A.P. ligt, en genoemde overlaat 4,12 M., dan kunnen we gemakkelijk berekenen, dat het land tusschen Drongelen en de Langstraat 4,12 M. + 1,20 M. - 0,20 M. = 5,12 M. diep onder water stond.
Er zijn geene huizen, maar indien er een tamelijk burgerhuis met eene verdieping en een dak had gestaan in dien polder, dan zou er den 18den Februari 1799 zelfs de schoorsteen niet van te zien zijn geweest. [52]
We zijn in den winter en de Kerstvacantie is aangebroken. De jongens hebben den zomer en herfst doorgebracht met ijverig studeeren. Goed voorgaan doet goed volgen, zegt het spreekwoord en dit werd ook hier weder bewaarheid. De lust en de ijver, waarmede Anton de studie had aangepakt, oefenden een gunstigen invloed uit op den werklust zijner kameraads.
De jongens Den Bosch zitten in de school. Ze hebben hun vacantiewerk verder afgemaakt, ze hebben gekibbeld, een vlieger geplakt en een paar appels gegeten. Nu geeuwen zij.
Toch is het nog vroeg, tien uur in den morgen. Buiten spelen kunnen ze niet. Het regent dikop. Toen ze om zeven uur opstonden, regende het al, het bleef regenen en het regent nog. Dikke droppels vallen van het dak. Tik, tik, gaat het op de steenen. De goot voert het water over de volle regenton. Tik tik klinkt het op het open tuimelraam; [53]tik tik in het schoolportaal door een gebroken dakpan. De jongens turen naar buiten en vervelen zich. Ze gapen en gapen nog eens. Alleen poes zit bij de kachel en snort welbehagelijk.
„Kwam er maar iemand. Kwam Anton maar. Hij zou mijn themaboek brengen, doch wie komt er met zoo’n weêr van Drongelen?”—
„Heeft hij het gezegd,” vraagt Pieter.
„Zeker, hij zou het van morgen terugbrengen. Ik moet mijne Engelsche vertaling immers nog maken.”—
„Dan komt hij stellig.”—
„Zou je denken?”—
„Stellig, wat Toon belooft, doet hij.”—
Het gesprek is weder uit en de jongens leunen met de ellebogen op een venster.
Daar wordt gescheld. Ze vliegen overeind.
„’t Zal de post zijn,” zegt Piet, en herneemt zijne vorige houding.
„Zijn de jongens thuis,” klinkt eene stem door den gang. Verheugd springen deze overeind.
„Hoezee! ’t Is Anton.” De jongens stormen den gang in. Druipnat schudt de nieuw aangekomene de paraplu buiten uit en slaat de pet af. In triomf wordt hij de school binnengebracht.
„Ik had je niet verwacht, Toon! Piet wel.”— [54]
„Belofte maakt schuld, niet waar, en eene regenbui is geen reden om zijn woord te breken.”—
„Hoe is ’t thuis?”—
„Vervelend natuurlijk. ’t Water staat tot aan den drempel van ’t veerhuis en ’t wast nog voortdurend. De koeien in den stal zijn al op een vloer van horden, hekken en planken geplaatst en staan hoog genoeg. We wonen al in de opkamer; die is een voet of anderhalf hooger dan de herberg.”—
„En wat weet je van den waterstand?”—
„Van morgen hoorden we, dat de peilschaal in Den Bosch 6,10 M. wees en te Vlijmen 6 M. De dijklegering is ingetreden, dat weet je zeker.”—
„O ja, al van den 16en af. Toen is de burgemeester reeds naar Heusden vertrokken. Vandaag zou hij even thuis komen voor gemeentezaken, als het ten minste kan.”—
De heer Van den Oever is heemraad, moet ge weten en toen den 16 December de peilschaal te Heusden 4,70 meter boven A.P. wees, nam het dijkbestuur volgens reglement zitting. Burgemeester Van den Oever was te Heusden gestationneerd met nog een heemraad en den dijkgraaf. Het dijkbestuur, waarvan hier sprake is, had het toezicht over „den Hoogen Maasdijk van Stad [55]en Lande van Heusden, met den Doeverschen en Drongelschen Zeedijk.”
„Nu,” vroeg Hendrik verder, „zou er nog gevaar van doorbraak bestaan? Gister middag hoorden we er bij den smid over spreken.”
„Voorloopig niet. Ten minste, dat meent de baas en die weet van die zaken veel af.”—
De jongens waren in druk gesprek over het water, toen op eens Roelof door de schooldeur kwam binnenstormen, de kraag omhoog en de broek opgestroopt tot half weg de knieën.
„Ga je mee, jongens? Janus moet met den tentwagen naar Heusden om pa te halen. Moe vraagt of je mee rijdt. Stans blijft thuis, dus er is voor jouw ook nog een plaatsje, Toon.”
„Hoe laat?”—
„Half 1, direct na ’t eten; wij eten heel vroeg. Ga je ook mee Toon?”—
„Ze weten er thuis niets van. Ik geloof anders wel, dat ik zal mogen; ik heb niets meer te doen vandaag.”—
„O, dat is niets,” antwoordt Piet. „Straks komt de brievenbesteller en hij wil wel een briefje meenemen. Daar hoor ik hem al. Ik zal vragen of hij even wacht. Schrijf maar, hier is pen en papier.”
Sijmen is gaarne bereid de boodschap te doen [56]en allen zijn in de wolken over het plan. De moeder van Piet en Hendrik zal haar best doen om nog vóór 12 uur het eten klaar te hebben en Toon is natuurlijk dien middag haar gast.
Roelof heeft nog eenig nieuws over den waterstand en de jongens zijn spoedig vol vuur aan ’t redeneeren over de mogelijkheid van doorbraak en wat ze in dat geval zouden doen.
„We spraken zooeven over het dijkbestuur, Roel! Weet jij ons ook te zeggen, hoe de leden daarvan benoemd of gekozen worden.”—
„O, ja wel. Luister maar:
„Wat een polderbestuur is, weet je wel. Nu zijn er twee soorten in deze streek. Er zijn waterschappen, die geene en er zijn er, die wel rivier- en zeewaterkeerende dijken onder beheer hebben. De besturen van de binnenpolders—zoo heeten de eersten—hebben alleen te zorgen voor de behoorlijke in- en uit watering der landerijen en het onderhoud der polderwegen.
„De andere echter hebben een gewichtiger werkkring. Zij hebben de verantwoording over de dijken.
„De leden van het dijkbestuur heeten heemraden en worden door de ingelanden gekozen; dit zijn personen, die bezittingen in den polder hebben en eene vaste som aan polderbelasting betalen.” [57]Eigenlijk is dit niet geheel waar, de ingelanden kiezen eene voordracht van 3 personen, doch na advies van Gedeputeerde Staten wordt door den koning No. 1 gekozen. De voorzitter van dat bestuur heet de dijkgraaf. Dan zijn er ook nog noodheemraden. Zij worden door het bestuur benoemd, telkens voor een jaar en zij moeten in tijd van nood de heemraden aflossen en in alles bijstand verleenen. Voor het geregelde dagelijksche toezicht is er een opzichter-bode. De stads-architect te Heusden vervult tegenwoordig die betrekking. Maar met dat al is het half twaalf geworden.—Roelof zet de kraag weder op, trekt de pet over de ooren en zet het op een loopen, om niet doornat thuis te komen.
„Tot straks hoor,” roept hij, „je komt maar zoo gauw mogelijk.”
„Het onderhoud der dijken kost nog al wat,” merkt Hendrik op. „Wie zou dat betalen?”
„Ik denk het Rijk,” antwoordt Piet, „wat jij, Toon?”—„Dat weet ik ook niet. Misschien het Rijk en de Provincie samen, want er worden van Rijkswege hier en daar ingenieurs gestationeerd, wanneer de dijken gevaar loopen. Bovendien moet de voordracht voor een lid van het dijkbestuur goedgekeurd worden door de Gedeputeerde Staten.”—
De jongens worden weldra geroepen om te komen [58]eten, en als ze het maal op hebben, verwisselen zij zich vlug van kleeren en begeven zich naar Vrederust.
Het rijtuig is al ingespannen: Janus de brommer is weder voerman. Zoodra hij de jongens ziet, laat hij het weder en de modder met rust en geeft zijne ontevredenheid te kennen over zooveel passagiers. „’t Lijkt wel eene landverhuizing,—laat ze thuis blijven—veel te zwaar voor ’t paard,” zijn uitroepen, die hij steeds herhaalt.
Mevrouw vraagt, of Janus wil zorgen voor ’t donker—als ’t kan—terug te wezen en het rijtuig vertrekt. De regen klettert nog wel tegen de kap, maar de jongens hebben er nu geen hinder van, zooals des morgens. Integendeel, ze vinden ’t wel leuk, om met zoo’n weêr in een gesloten rijtuig te zitten.
„Zou je pa mee komen,” vragen de jongens aan hun kameraad.
„Ik vrees van neen,” is het antwoord. „Moe gelooft het ook niet, want de berichten worden steeds onrustbarender.”
„Weet je ook Roel, wie de kosten draagt of dragen van het onderhoud der dijken? Doet dat het Rijk niet?—”
„Zeker niet. Dat doen de ingelanden zelve. [59]Het dijkbestuur trekt zijne inkomsten van de in zijn kring gelegen waterschappen. Elke polder heeft zijn vast aantal quota, waarnaar hij heeft bij te dragen.”—
Als de jongens na bijna een uur rijdens langs doorweekte wegen te Heusden aangekomen zijn, begeven zij zich dadelijk naar het station van het dijkbestuur. De heer Van den Oever heeft de wacht en is dus aanwezig. Roelof treedt binnen. Nauwelijks heeft de burgemeester de stemmen der anderen, die buiten wachten, gehoord, of hij roept ook deze in de wachtkamer. Roelof vraagt zijn pa of deze nu mee terug rijdt. Dit is echter onmogelijk. De berichten van gevaar voor doorbraak waren wel is waar zeer overdreven, maar de toestand was toch van dien aard, dat niemand zijn post verlaten mocht. Het meeste gevaar dreigde van de dijken, die de polders van Drunen, Nieuwkuyk, Vlijmen, Hedikhuizen enz. tegen het water van de Beersche Maas moesten beschermen. De Heidijk van Drunen tot Vlijmen leverde geen gevaar op. Deze dijk heeft een zeer flauw hellende buitentalud en eene kruinsbreedte van 5 tot 10 M. Anders was het met den dijk tusschen Vlijmen en Hedikhuizen. Deze liet voortdurend veel water door en elken avond brachten de boeren in dien [60]omtrek hun vee naar de noodstallen op den dijk en op den Konijnenberg. Er was zelfs afslag van grond waargenomen. De toenemende was van het water gaf aldaar ernstige reden tot bezorgdheid.
(Spoedig zullen we zien, hoe deskundigen zich kunnen vergissen en hoe zij het gevaar zagen, waar het niet was.—)
„Ge begrijpt dus wel,” aldus spreekt de heer Van den Oever, „dat ik den Zondag niet thuis kan doorbrengen, hoe graag ik ook wilde. Dit nu zal zich voor een keer wel schikken, maar ik zit met de gemeente-administratie duchtig verlegen. Er is heel wat werk, dat noodig afdoening vereischt. Hier heb ik weinig tijd en thuis is niemand, die het doen kan.”—
De lezer en lezeressen moeten weten, dat de heer Van den Oever niet alleen burgemeester, maar ook secretaris van twee gemeenten was en bijgevolg geregeld veel administratie had.
„Kan ik U niet helpen, pa? Als U maar zegt waar ik de stukken vinden kan.”—
„Neen, mijn jongen, dat is het juist. De stukken, en boeken zou ik U wel kunnen aanwijzen, maar ik kan U van alles niet zeggen, hoe gij moet invullen, staten opmaken enz. enz. Als ge met de stukken eenige dagen hier kondet komen en [61]onder mijn toezicht mij helpen, zou het iets anders wezen. Ik durf U echter niet van huis te halen. Dan zit moeder immers geheel zonder mannelijke hulp.”—Allen schieten bij dat woord „mannelijke hulp” in een lach. Het was eene eigenaardigheid van den ruim 14 jarigen jongen, dat hij zich zoo gaarne voor man liet aanzien, terwijl de dartele joligheid hem op het gelaat stond te lezen.—
„Neen, het is een gek geval,” hernam de burgemeester ernstig. „Ik weet er nog geen raad op.”
„Kan ik misschien helpen, mijnheer!” aldus mengde Anton zich beleefd in het gesprek. „Ik heb eene duidelijke hand van schrijven, mijn vacantiewerk is af en thuis kunnen ze mij wel eenige dagen missen.”—
„Jongen, dat zou een idee wezen, maar.… neen, dat gaat toch niet.”—
„Als u een briefje meegeeft aan mevrouw, waar alles op staat, wat u noodig hebt, dan kan ik het meebrengen. Toe, mijnheer, laat ik maar, ik zou zoo graag iets voor u willen doen, al is het nog zoo weinig.”—
„Weet je, wat we doen zullen, Toon. Ik zal Janus zeggen, dat hij over Drongelen terug rijdt. Vraag dan even aan grootvader of hij het goed vindt. Roelof hoort daar wel van u den uitslag [62]en bij goedvinden kunnen ze thuis morgen alles bij elkaar zoeken. Als ge dan Maandagmorgen naar Vrederust wilt komen, vindt ge alles gereed en kan Janus u naar hier brengen. Zorg echter voor een dubbel stel kleeren en enkele paren kousen. Ik zou u eens mee kunnen nemen naar Vlijmen of Nieuwkuyk en dan heb je wel verschoongoed noodig.
„Afgesproken dus?”—
„Ja mijnheer, heel graag, er zal niets aan mankeeren.”—
„Goed, ga dan eerst een kop chocolade drinken, en koop er wat lekkers bij. Hier is een gulden, dien mag je samen opmaken en hoe eerder je me dan goedendag komt zeggen, hoe beter. Moe is stellig ongerust, als je in ’t donker terug komt.”—Het duurt geen half uur of de jongens zijn terug. In dien tijd hebben ze chocolade en elk een paar taartjes gebruikt, en zijn ze nog even op den dijk geweest om zelve op de peilschaal de hoogte van het water af te lezen. Spoedig rijden ze weg. Janus bromt over de drukte, die er over de dijken gemaakt wordt.
„Da’s alle jaar zoo en er komt toch niets van.”
„Je kon je wel eens vergissen, Janus!”
„Wat ben jij een geluksvogel, Toon,” roepen [63]allen uit één mond, als ze de poort uit zijn. „Ik zou ook wel eens een paar dagen in Heusden willen doorbrengen,” zegt Piet. „Natuurlijk lekker eten en drinken en nu en dan eens uit rijden.”
„Had het dan zelf voorgesteld,” antwoordt Toon. „Over eten en rijden heb ik echter niet gedacht, dat kan ik eerlijk bekennen. Van die rijtoertjes, zooals ge het gelieft te noemen, stel ik me niets voor, dan met kaplaarzen aan door de modder baden.
„In ieder geval, het is bepaald en ik doe het graag. Niet voor een pretje, maar omdat ik niets liever wil, dan den burgemeester van dienst te wezen.”—
Toon krijgt van zijn grootvader gaarne toestemming. Hij blijft nu thuis en het rijtuig gaat met zijne kameraads huiswaarts.
„Dag Toon, veel genoegen de volgende week!”—
„Dankje, slaap allen wel. Tot Maandag Roel!”—
„Tot Maandag hoor! Slaap wel.”— [64]
Als Toon op Maandagmorgen bij den heer Van den Oever aankomt, heeft deze reeds schikkingen omtrent logies en voedsel getroffen. De jongen zal slapen in een kamertje, in de onmiddellijke nabijheid van het station van het dijkbestuur. Ledikant en toebehooren zijn door een medelid van het dijkbestuur welwillend verschaft.
Anton werkte ijverig; wat hij deed zal u, zoomin als mij, belang inboezemen. Het zij ons genoeg te vermelden, dat reeds in één dag, de gewillige en beleefde jongen zich in de genegenheid mocht verheugen van allen, die hem bij den heer Van den Oever aantroffen.
Op den avond van den tweeden dag was Anton reeds een goed eind gevorderd met zijn arbeid. Dit was goed ook, want er zou spoedig van staten invullen geen sprake meer wezen, ten minste in de eerste weken. [65]
Op den 28sten December bracht een renbode te Heusden het bericht, dat ten noorden van Nieuwkuyk eene wel in den dijk ontdekt was. Renboden waren buitengewone boodschappers. Zoodra de dijklegering is ingetreden loopen van post tot post—zoo onder andere van Heusden op Vlijmen en omgekeerd—geregeld boden heen en weer. Deze moeten toezien of er ook ergens gevaar is en tevens aan de verschillende peilschalen den waterstand opnemen. Die waterstanden worden door de heemraden op een briefje genoteerd tot waterberichten. Deze worden in blikken bussen gedaan en door de boden aan de op post zittende heemraden vertoond, die er ook hunne aanteekeningen bij schrijven. Zoo weet men van oogenblik tot oogenblik, hoe het langs den dijk gesteld is.—
Het bericht van de wel veroorzaakte te Heusden weinig ontsteltenis. De dijk was immers sterk genoeg en er werd blijkbaar niet aan gedacht, dat deze bestond uit zand en „fles,” eene grondstof, die veenachtig is en bij aanraking met het water spoedig in eene brij veranderd.
Op verzoek van een der heemraden, reed Toon op den bok mede naar Nieuwkuyk. Behalve den loco-dijkgraaf en een heemraad, bevond zich ook [66]de heer Bleckman, een ingenieur van den waterstaat, in het rijtuig.
Omringd door tal van personen begon de heer Bleckman zijn onderzoek. Met stukjes hout bepaalde hij de snelheid van het uit de wel vloeiende water. Hij mat de diepte, de breedte enz. De wel gaf helder water en er was bijgevolg geen gevaar. Toch werd het werk van den burgemeester van Vlijmen voortgezet, om het binnentalud van den dijk te verzwaren.
Den 29sten December kwamen er geruststellende berichten van het bedreigde punt en er werd bevel gegeven om den arbeid aan den dijk te staken. De ingenieur zond denzelfden avond nog een telegram aan den heer Commissaris des Konings, waarin hij meldde, dat de stand der dijken gunstig was en dat er geen gevaar dreigde.—
Het was in den nacht hierop volgende. Toon sliep zeer onrustig. De angst en bezorgdheid der bewoners langs den dijk had hem aangegrepen. Hij droomde de vreeselijkste visioenen van overstrooming en doorbraak.
De heer Van den Oever had de wacht met den dijk-opzichter, den stads-architect. Op een gegeven oogenblik hoorde Toon den vluggen stap van twee mannen en daarna geruisch van stemmen. [67]Dadelijk springt hij het bed uit en is een, twee, drie gekleed. Hij hoort den opzichter een bericht voorlezen van dezen inhoud: „Heden heb ik vernomen, dat er gevaar bestaat aan de Peperstraat. Kom dus spoedig over.” De beide mannen kunnen geene nadere inlichtingen verschaffen; zij zijn niet aan den dijk geweest. Wel vertellen ze, dat de bevolking zeer onrustig is en dat verscheidene boeren hun vee in veiligheid brengen.
Onmiddellijk moet de heemraad, de heer Verhoeven, gewekt en een rijtuig ingespannen worden. „Doe dus vlug ieder een boodschap, mannen, en stuur me iemand, om den heer Van Bokhoven, den loco-dijkgraaf, te waarschuwen,” besliste de heer Van den Oever.
„Wien moeten we wekken om naar Herpt te zenden,” vraagt een der mannen.
„Wien, ja wien,” zegt de opzichter. „Wie is er vlug genoeg gereed. Van jelui kunnen we niets meer vergen.”
„Ik,” klinkt een stem; een deur wordt geopend en Anton treedt binnen.
„Flink zoo,” zegt de heer Van Tuijl, „weet je mijnheer Van Bokhoven te wonen?”
„Ja mijnheer, ik heb gister nog een boodschap bij hem gedaan.”— [68]
„En durf je door de duisternis de stad uit. Ja? Best, kranig. Geef mijnheer dan dit briefje en loop zoo vlug je kunt.”—
„Mag ik straks mee rijden, mijnheer? Ik kan misschien de heeren nog van dienst zijn.”—
„Jawel,” antwoordt de burgemeester hem, „maar trek je duffelsche jas aan en blijf vooral uit het gevaar.”—
Dit laatste hoort Toon niet meer. Spoedig is hij de straat op, de poort uit en is hij den weg naar Herpt over gevlogen, in welke plaats hij de heeren van het Dijkbestuur opwacht.
Betrekkelijk korten tijd later waren de loco-dijkgraaf, de heemraad en de opzichter in een rijtuig met twee paarden bespannen op weg naar Nieuwkuyk. Toon zat bij den koetsier op den bok. Onderweg moest een der heeren, de opzichter, uitstappen, daar hij plotseling ongesteld werd. Eenigen tijd reden zij verder, toen een eigenaardig geklots tegen den bok zich deed hooren en weldra ontdekte men, dat het door de paardenhoeven opspattende water niet van de plassen kwam, maar dat de weg blank stond.
„Rijden wat je halen kan,” klonk het bevel van binnen en voort ging het, zoo snel de paarden loopen konden. Het duurde echter niet lang of [69]een zware boom dreef voor de pooten der dieren, zij sprongen er over, maar het rijtuig bleef er voor. Andere hindernissen dreven aan en de heeren met Toon en den koetsier mochten zich gelukkig prijzen in een nabijgelegen huis opgenomen te kunnen worden. Toen de koetsier en Toon de paarden uitspanden, stonden deze reeds tot den buik in het water.
De dijk was dus bezweken, er was geen twijfel meer aan.—
Daar zaten ze nu, gevangen op de Haarsteeg, terwijl ze brandden van verlangen om op de plaats des onheils te zijn. Eerst om 11 uur in den voormiddag werden zij verlost door een voorbijvarend schuitje. De heeren spoedden zich verder en Toon met hen. Een van hen moest te Vlijmen blijven, uitgeput van vermoeienis. De heemraad zette zijn tocht voort en ontmoette op de plaats van het ongeluk den heer Commissaris des Konings, die reeds was aangekomen. [70]
„De wel, de wel, allemaal zand,” klonk het dof en angstig door de woning van den noodheemraad Van de Wiel en de hevige slagen op de deur gaven duidelijk de vrees van den boodschapper en den ernst van het oogenblik te kennen.
Het is in den nacht van den 29sten op den 30sten December 1880.
In minder dan een oogenblik is de heer Van de Wiel gekleed en stapt hij met gezwinden pas de deur uit in de richting van de Peperstraat. Het is stik donker; de storm huilt en met moeite houdt hij zich staande. Weldra is hij op den straatweg in de richting van de laan van Onzenoord. Het is omstreeks 2 uur. Eene zwarte gestalte snelt hem voorbij en roept hem toe, dat er geen oogenblikkelijk gevaar is. Geen gevaar! Maar wat is [71]dan het geluid, dat zijne ooren treft. Is het de stormwind, die door de takken giert, of is het ’t geruisch van golven in de verte. Een suizend geluid doet hem omlaag zien en hem bukken naar den slootkant. Het water staat tot aan den rand van den weg en vliegt snel door de takken van struiken en laag houtgewas. Dwars door de akkers spoedt hij zich verder. De angst slaat hem om het hart en zich zijne verantwoordelijkheid bewust, haast hij zich zoo snel mogelijk om het bedreigde punt te bereiken. Op eens stapt de heemraad tot de knieën in ’t water en in een oogenblik is het tot zijn middel gestegen. Een donderend geluid van woest rollende golven treft zijne ooren. Loeiend en brullend stort een ontzagwekkende stroom zich over de landerijen. In de schier ondoordringbare duisternis ziet hij slechts de lichte koppen der neerstortende golven.
Een oogenblik staat hij stil, gedachteloos van schrik. Maar plotseling schiet hem bliksemsnel de gedachte door den geest, dat het onheil onherroepelijk is geschied, de dijk is bezweken. De dijk is bezweken! Rauw klinkt de kreet door de lucht en als de torenklok zijne onheilspellende tonen doet klinken, is weldra heel Nieuwkuyk in de weer om het veege lijf te redden. [72]
Het geloei van het vee, het angstgeschrei der ongelukkigen, overstemt den stormwind.
Ontwortelde boomen, hooibergen en houtstapels worden meegesleurd door den alles vernielenden vloed; huizen storten in, en balken en planken stooten met donderend geweld tegen waggelende muren.
Enkelen weten zich te redden op den dijk en voeren hun vee voor zich uit. Anderen kunnen alleen de arme beesten los snijden en de deuren openen. Velen echter kunnen nauwelijks eigen leven redden en moeten hunne koeien, paarden en ander vee jammerlijk laten omkomen in de stallen.
Het was duister in de woning van de weduwe N., maar donkerder nog in het hart der arme vrouw, toen zij, opgeschrikt door de noodklok, het bed uitsprong en plassende door het water in allerijl hare vier kinderen wekte.
De doodschrik sloeg haar om het hart, toen ze het geloei der golven hoorde, dat ieder oogenblik heviger werd. De beide jongste kinderen nam ze onder de armen en droeg hen de steile zoldertrap op, de anderen volgden. Terwijl de oudste jongen voor de kleine kinderen zorgde, liep zij weder terug om wat kleeren en beddegoed naar boven te sleepen. [73]
Daar werd hevig op de deur geklopt en een geroep: „doe open, om Godswil, doe open,” trof haar oor. Ze schoof de grendels van de voordeur en een oude buurman en diens vrouw traden binnen; een golf water ging hun voor. Met moeite maakten ze gezamenlijk de deur toe en ijlden, reeds tot de knieën in ’t water, naar den zolder. De vloed steeg met het oogenblik. Bange uren bracht het zevental door op den zolder van het kleine boerenhuis. De kinderen waren verkleumd van koude, onder de meegebrachte dekens en eenige zakken gekropen. De ouden hurkten angstig bijeen en staarden door het kleine zoldervenster naar den steeds toenemenden stroom en het hooger en hooger stijgende water. Woest rolden de golven langs den voorkant van het huis, over tuin en akker heen. Donkere voorwerpen vlogen pijlsnel voorbij, gedragen door het schuimende water. Het huis trilde op zijne grondvesten. Boomen en planken stootten dreunend tegen den waggelenden voormuur. Zwemmende, half verdronken beesten, brullend in hun doodstrijd, schoten voorbij. Daar stort eensklaps met donderend geraas de bedreigde muur in het kokende sop en een eindeloos gezicht van woest rollende golven vertoont zich grimmig aan de van schrik bestorven ongelukkigen. [74]De kinderen staren wezenloos door de open ruimte naar het losgebroken element. Reeds schudt de zoldering, misschien is onder hen de grondslag reeds ondermijnd. De toestand is hopeloos. Langer te wachten, kan aller ondergang wezen. Er moet gehandeld worden. De oude man grijpt een bijl, die gelukkig aanwezig is en met alle kracht slaat hij een gat in den binnenmuur. Vlugger, vlugger nog klinken de slagen. De muur brokkelt af. Ze kunnen er door. IJlings vluchten allen op den stalzolder. Langer talmen is de dood. Het achterhuis met zijn stevige binten kan het misschien houden tot er hulp daagt. De koeien en het paard in den stal strijden hun laatsten strijd. Woest klinken hunne jammerkreten den ongelukkigen in de ooren. Eindelijk zijn de dieren uit hun lijden verlost. Alles heeft de arme weduwe verloren. Als ze nu hare kinderen nog maar behouden mag. Nog hooger stijgt de nood. Het water doorweekt het hooi en spoelt de losse takken weg, waar het is opgestapeld en als de middag aanbreekt zonder dat hulp genaakt, moeten de rampzaligen een laatsten toevlucht zoeken op het rieten dak.—
Reeds in den vroegen morgen hebben uit alle omliggende plaatsen, tot uit Den Bosch, booten [75]met redders zich naar de plaats des onheils begeven. Wonderen van moed en zelfopoffering zijn verricht. Ook de nood der weduwe bleef niet onopgemerkt. Maar wie zal hier redden? Er heen varen is zoo goed als onmogelijk. Enkele booten hebben het getracht, maar pijlsnel zijn ze langs het waggelende huis heen geschoten. De stroom is daar op zijn sterkst en en wie recht op het huis zou aanvaren, kon zeker zijn van zijn ondergang.
Twee schippers waarvan reeds één in de boot zit, zijn op het gespaarde dijkvak in levendige woordenwisseling.
„Eén moedige varensgezel en we zullen trachten hen te redden.”—
„Onmogelijk,” zegt de andere en moedeloos schudt hij het hoofd. „Daar kan geen boot zich wagen. Bij God, dat is den dood zoeken.”—
Niemand beantwoordt den kreet van den eersten. Niemand heeft lust om bijna zeker het leven te verliezen.
Niemand? Geen man, ja, maar toch wel één. Een jongen, een stoere knaap, wringt zich door de menigte en springt in de boot. „Aan ’t roer of aan de riemen?” vraagt hij.—Het is Toon.
„Nergens” en een krachtige hand weerhoudt hem. „’t Kan niet, hoe graag ook ik zou willen.” ’t Is [76]de twijfelaar van zoo even, die hem uit de boot zet. De jongen laat zich den geheelen toestand uiteen zetten, door een schipper, die er langs is gevaren. Daarna zet hij ’t op een loopen.
„Hij heeft er genoeg van,” zegt dezelfde varensgezel. „Hij heeft gelijk, en toch—het spijt me van hem—’t scheen zoo’n echte, flinke waterrot.”
Toon vlucht echter niet. Integendeel. Hij wist in de nabijheid een lang, dik touw—een wagen- of kartouw genoemd—te verkrijgen. Met dit op den rug keert hij terug bij de verbaasde menigte. Het anker van de boot heeft hij weldra aan het eene eind vastgeknoopt, terwijl zijn plan vertellende. „Waarachtig, de jongen heeft gelijk,” roepen beide schippers. „We werpen het anker in den dikken boom, die een 20 pas vóór het huis staat. Mislukt het, dan hebben we net nog tijd te wenden en rechts langs de schuur te schieten.” Een kreet van bewondering ontsnapt aan allen, daar tegenwoordig.

Een oogenblik later steekt de boot van wal.
Slechts een tiental krachtige slagen en het ranke vaartuig is in de draaiende, vliegende stroom. De boot schiet recht vooruit. Een misgreep aan het roer zou haar gewis doen omslaan, maar ze [77]wordt bestuurd door een vaste, bekwame hand, al is het die van een knaap.
Weldra zijn ze op de plaats des verderfs. Terwijl Toon, doodsgevaar tartende, de broze hulk rakelings langs den stevigen ouden boomstam stuurt, werpt een der anderen met een behendigen zwaai het anker tusschen twee zware, evenwijdige takken.
De toeleg is gelukt. Het bootje dobbert op den stroom, door de stevige lijn gestut in zijn vaart. Het touw wordt gevierd en na eenige moeilijke oogenblikken ligt het aan de achterzijde van het dak.
In angst en vreeze hebben de ongelukkigen daar de pogingen der redders aanschouwd. Een zucht van verlichting ontsnapt aan de bange borst, als allen goed en wel op den bodem van het vaartuig zijn neder gezeten. Het touw wordt losgelaten en voort gaat het, tusschen drijvende houtgevaarten, losgerukte boomen en allerlei hindernissen, voorbij huizen en bouwvallen, door struikgewas en door stroo en hooi. Eindelijk, na een moeilijken en gevaarvollen tocht, landen allen behouden aan den Konijnenberg. Het schokkend lichaam der gemartelde moeder knielt neder bij den jongen redder en overdekt zijne handen met kussen. De anderen zijn sprakeloos. Liefdevolle handen nemen de verzorging der geredden over en het moedige drietal [78]verwijdert zich. Toon laat zich afzetten op den oostelijken dijk, waar hij alleen verder gaat. De beide schippers schudden hem hartelijk de hand en keeren daarop terug naar het bedreigde dorp.
Toon durft niet langer te blijven. Reeds begint de avond te vallen en de weg naar Heusden is ver. Te Vlijmen, aan het station van het dijkbestuur gekomen, verneemt hij, dat de heeren reeds geruimen tijd vertrokken zijn. Hij spoedt zich verder langs den drassigen dijk van Vlijmen naar Hedikhuizen om van daar langs den Maasdijk Heusden te bereiken. De burgemeester wacht misschien reeds in angstige spanning.
Het was zoo. De heer Van den Oever maakte zich ernstig ongerust over den knaap. Zijne collega’s wisten niets aangaande hun metgezel in den nacht mede te deelen. Een van hen had een boot van wal zien steken met een jongen aan ’t roer. „Dat is hij, dat is hij stellig, Toon is moedig als een leeuw en zelfopofferend als een held,” riep de burgemeester. Hij verweet zich zoo slecht voor den knaap te hebben gezorgd en bracht angstige uren door.
Tegen half 8 in den avond—de aanwezige leden van het dijkbestuur waren in het station [79]bij elkander om tal van zaken te overleggen—werd er zacht aan de deur geklopt. Mijnheer Van den Oever springt overeind. „Gelukkig, ’t is Toon,” roept hij. Eer Anton zich verkleeden ging, wilde hij even zijn beschermer waarschuwen.
De heeren riepen den verkleumden knaap bij de kachel en terwijl hij zich te goed deed aan een warm kop koffie en een stevig maal, dat inmiddels voor hem was gereed gezet, moest hij zijn wedervaren vertellen. Van de redding zweeg hij. Medelijden, oprechte deelneming, waren zijne drijfveeren geweest, geen hoop op dank. De ware held waagt zijn leven voor zijne medemenschen, doch niet voor eene belooning.
Een uur later lag hij in een verkwikkenden slaap en den volgenden morgen vertrok hij uit Heusden. Eene boot met levensmiddelen zette hem te Doeveren aan den dijk af en met vlugge schreden liep hij verder huiswaarts. [80]
In den morgen van den beruchten 30sten December doet niets in het dorpje Eethen vermoeden, dat de bewoners aan den vooravond staan van een langen en bangen winter.
De jongens Den Bosch zijn reeds vóór half 8 op het aanplakbord wezen zien, wat waterbericht het bulletin aangeeft. Waterstand te ’s Bosch 6,25 M. boven A.P., Vlijmen 6,15 M. Van Nieuwkuyk nog geen bericht dus.—Het zou spoedig komen.
Voor het huis van den meester hield deze met eenige buren een praatje over het onderwerp van den dag. Nieuwsgierig stonden de jongens in den kring. Verschillende mogelijkheden werden overwogen, toen—omstreeks kwart over 9—een man te paard in galop over de laan van den burgemeester naar Vrederust reed. Om half 9 was deze particuliere bode door den secretaris-penningmeester van het dijkbestuur—burgemeester [81]„Van den Oever” van Eethen—naar zijne woonplaats gezonden met het volgende bericht: „Gerucht doorbraak bij Nieuwkuyk. Ik geloof het. Zekerheid ontbreekt mij.”
Nauwelijks was de mare in het dorp verspreid, of het was overal „haast u, rep u.” Onmiddellijk gevaar dreigde er niet. Er zouden eenige uren verloopen, eer het verwoestende element in Eethen zijn sloopingswerk zou beginnen. De bewoners maakten zich dien kostbaren tijd ten nutte, om in veiligheid te brengen, wat te bergen was. Overal liepen loeiende kudden koeien en ander vee; wagens reden door het dorp en de laagst gelegen huizen werden geheel ontruimd. Velen droegen alles op zolder en richtten zoo goed en zoo kwaad het ging de naakte ruimte tot woonvertrek in.
Ook bij den meester waren allen druk in de weer. De beide jongens sleepten en sjouwden de aardappels uit den kelder met mandjes en zakken. Boven in eene groote kast nabij den schoorsteen werd alles opgeborgen: aardappels, de vleesch- en spekkuip, groentepotten en allerlei provisie, die een huisgezin gewoonlijk buiten voor den winter opslaat. Vader, moeder en kinderen, allen werkten om het hardst. Toen de mondvoorraad voldoende in veiligheid gebracht was, kwam de beurt aan [82]de steenkolen. In de schuur, nabij het huis, lag eene groote hoeveelheid van die brandstof, gedeeltelijk voor eigen, gedeeltelijk voor schoolgebruik en beide hoopen minderden gaandeweg. De jongens wisselden elkander af, de een opscheppen, de andere dragen. In eene niet gebruikte bedstede achter op den zolder, werden de steenkolen neergestort. Het ruimen en opbergen gaf weldra zulk eene aantrekkelijkheid aan de beide knapen, dat ze spoedig het hoogste lied zongen. Toen vader van zijn werk in huis even achter kwam kijken, vond hij de jongens zingend en jubelend groote takkenbossen en ander hout uit de schuur slepende, om alles boven op te stapelen.
„’t Lijkt wel of jelui er een feest van maken,” roept hij.
„Welnu, pa, hebt u dan wel eens een watersnood gezien,” roepen beiden. „Wanneer zou ’t water hier zijn?”
„Voor eerst nog niet, hoor, levenmakers. Ik ga weer naar moe. Werk je niet te veel in ’t zweet en denk om bijl, hamer, zaag, nijptang enz.”—
„O ja, pa. We brengen alles boven, wat we denken, dat gebruikt kan worden en de konijnen ook.”—
„Ben je mal, jongens, die stinkende dieren.”— [83]
„Moeten die dan verdrinken, pa?”—
„Wel neen, laat ze los. Om de kerk ligt hooi en koren in overvloed, daar zullen ze met de kippen hun weg wel vinden.”—
„Waar is Annie toch, pa?”—
„Wel, drommels, die zouden we geheel vergeten. Piet, loop vlug naar den Kleiberg. Even vóór de tijding kwam, is ze door de meid van de familie Van der Wal gehaald.”—
Piet vliegt heen of het water hem op de hielen zit. Gelukkig voor boer Van der Wal, dat Piet kwam. Op de eenzame boerderij hadden de bewoners nog niets van het gerucht vernomen en ijlings begonnen ze ook hier have en vee in veiligheid te brengen. De klok had nog niet geluid. De officiëele tijding was nog niet gekomen. Eerst geruimen tijd daarna verkondigde het bom-bam der torenklok, dat geen twijfel mogelijk was. Bij geene enkele gelegenheid mocht de klok in die dagen anders luiden dan bij doorbraak, zoodat nu allen waren gewaarschuwd.
Toen Piet weder thuiskwam, was alles opgeruimd.
De kerk staat te Eethen op een heuvel, tegen welks helling ook school en schoolhuis gebouwd zijn. Dat het water in de kerk komen zou, was zoo goed als onmogelijk; ook de woning van den [84]meester, hoewel aanmerkelijk lager staande, leverde geen direct gevaar op voor de bewoners. Een vreemd schouwspel bood de omgeving van de kerk aan. Op de speelplaats stonden groote hoeveelheden ongedorscht koren, hooi en strooi. In het z.g. koor—eene groote bergplaats, een deel van de oude kerk—waren meer dan vijftig koeien gestald. Het was er een af- en aandragen, een rijden en sjouwen, als bij eene groote verhuizing.
Bij den meester werd in plaats van middageten koffie en brood met vleesch gebruikt. Daarna vlogen de jongens weder de deur uit, vol verlangen naar de dingen, die komen zouden. „’t Is, of ze er een feest van maken,” had vader dien morgen gezegd en het leek er werkelijk veel op. Onbezorgd en niet denkende aan de rampen en onheilen, die uit den watersnood zouden voortvloeien, aan ongelukken, die reeds geschied waren, stelden de knapen zich allerlei pret en eene aangename afwisseling van de overstrooming voor. Indien ze echter dachten overal vrij rond te kunnen loopen, hadden ze het mis. „Bij huis of bij vader blijven,” luidde het strenge bevel. Gelukkig, dat ook deze nieuwsgierig was en aldus liepen ze in den namiddag gezamenlijk den weg op ten Oosten van het [85]dorp. De slooten waren reeds tot den rand gevuld en pijlsnel vloot het water onder de bruggen door. Toen ook de landerijen overstroomden, kwam al het gedierte des velds voor het water uit en beklom de nog droog liggende wegen. Ratten, muizen, mollen en hazen kwamen bij tien- en honderdtallen aanzetten. Wezels en zelfs bunzings trof men onder de vluchtende dieren aan, die allerwege een goed heenkomen zochten. Een paar jongens stortten zich op een haas. Het dier ontsnapte, doch de knapen spartelden kopje onder in de sloot. Met een haak werden ze aan wal getrokken. In de verte liepen Roelof en Stans, maar daar ook deze hetzelfde consigne hadden als Piet en Hendrik, moesten de jongelui zich het genoegen van elkanders gezelschap ontzeggen.
De weg liep reeds onder. Als de branding der zee kwamen de golven aanrollen over het veld. Steeds meer dieren zwommen en renden voor den vloed uit. Vader ging naar huis en noode volgden hem zijne zoons.
De avond begon reeds te vallen en het water rees zienderoog. Mannen met hooge laarzen plasten voorbij het huis.
De weg naar de kerk stond reeds blank, toen de meester met zijne zoons omstreeks 6 uur [86]aldaar een kijkje gingen nemen, en een pad zochten langs den muur van het kerkhof.
Het geloop en gedraaf der gelaarsden ging voort, paarden voor karren met voer plasten door het nat. Het geheel werd door lantaarns hier en ginds fantastisch verlicht.
Het inwendige van het bedehuis leverde een eigenaardig schouwspel op. Een paard stond vastgebonden aan den voorzangerslessenaar; rustig vrat het dier hooi en was er volkomen op zijn gemak. Kalvers lagen in de banken en het geblaat van schapen klonk door het kerkruim. En de jongens.… Ze schaterden het uit, zoodra ze weer iets nieuws ontdekten. Het was voor hen een onvergetelijke dag.
Den volgenden morgen waren ze reeds vroeg uit de veeren. Uit het zolderraam keken ze over de wijde watervlakte. Tuinen en boomgaarden, veld en weiden, alles was water, zoover ze konden zien. Met een gevoel van ontevredenheid echter bemerkten zij, dat moeder rustig in de woonkamer het ontbijt gereed zette. Het water kwam nauwelijks tot aan de stoep voor de deur, terwijl het bij andere huizen tot aan het dak reikte.
Liever hadden ze gezien, dat ook zij in de bovenkamer en op zolder moesten bivakkeeren. [87]
In een oogenblik had ieder zijne boterhammen genuttigd en waren ze buiten. Van wegloopen was geen sprake meer. De kerkhoven aan weerszijden der kerk en de speelplaats vormden een eiland, vol leven en bedrijvigheid. Bootjes voeren af en aan, boerenarbeiders verzorgden met hunne bazen het vee. De koeien werden gemolken. De post kwam weldra aan, kortom het was voor de jongelui eene eindelooze afwisseling. Ook kwam er ieder oogenblik bezoek. Heeren kwamen om hun vader te spreken over eene commissie van bedeeling en nieuwsgierigen voeren op vlotten en in voerbakken naar het eiland, dat het middelpunt vormde van het dorp en weldra het eiland heette. [88]
De voorspelling van een oude van dagen was bewaarheid geworden. Het wassende water bereikte den dorpel van het schoolhuis, maar kwam niet binnen. Het bleek veel hooger te staan, dan iedereen dacht; op korten afstand stond een huisje, oogenschijnlijk weinig lager gebouwd, bijna tot den nok in ’t water.
De voorkamer van den heer Den Bosch had veel van een winkel. Er stonden balen met rijst, gort, meel, kistjes met suiker en busjes met koffie. Wel 200 brooden lagen opgestapeld naast kazen en zijden spek. Tonnen met erwten en boonen vonden een plaats naast vaatjes margarine, wollen dekens en omslagdoeken. De meest verschillende zaken stonden en lagen hier broederlijk naast elkaar. Eene geïmproviseerde toonbank was opgeslagen en daarop stonden maten en gewichten.
Deze kamer was het terrein van werkzaamheid [89]van de commissie van bedeeling, bestaande uit den heer Den Bosch met nog 2 heeren. Hier werd elken morgen gratis voedsel verstrekt aan allen, die het behoefden en dat waren er velen.
Om tot goed begrip van de werkzaamheid dezer commissie te komen is het noodig, dat we ons nog eenige oogenblikken naar Heusden verplaatsen.
Nauwelijks was de doorbraak van den Heidijk in Heusden bekend of de ijverige burgemeester van deze plaats, gesteund door vele weldenkende ingezetenen, zon op middelen om den nood te lenigen. Duizenden menschen waren dien dag broodeloos geworden en om nu allerwege in de geteisterde gewesten, voedsel, kleeding en brandstof te verschaffen, werd onder voorzitterschap van genoemden heer Honcoop eene commissie van 20 leden gevormd, waaraan later wegens groote verdienste nog zes leden werden toegevoegd. Van Z. E. den minister van Oorlog werd de vrije beschikking verkregen over de ledigstaande rijksgebouwen. Reeds direct wendde het ijverige comité pogingen aan om den nood te lenigen en trad inmiddels in overleg met de Algemeene Watersnoodcommissie te Amsterdam en die te ’s Hertogenbosch.
Voor de bedeeling in de verschillende plaatsen [90]zelve, werden subcomité’s benoemd, waarvan de respectieve burgemeesters ambtshalve voorzitter waren. Ook de heer Van den Oever was aldus president van de commissie te Eethen, maar door zijne betrekking als heemraad moest hij aan zijne 3 medeleden den arbeid overlaten.
De Districts-Commissie te Heusden, die weldra van alle zijden krachtig gesteund werd, had de zorg over 17 dorpen, de Algemeene Commissie te ’s Hertogenbosch voorzag de plaatsen Vlijmen en Nieuwkuyk van het noodige en aan de inmiddels op den 3den Januari 1881 opgerichte Districts-Commissie te Werkendam werden de overige plaatsen in het benedenland toevertrouwd. Het comité te Heusden alleen had op den 6den Januari volgens de opgaven te zorgen voor ongeveer 5000 personen, waarvan te Eethen 130.
We zullen ons verder niet bezig houden met de blijken van edelmoedigheid en menschlievendheid, door de geteisterde landstreek ontvangen uit alle oorden van ons vaderland, hoe zeer ook ons hart klopt van vreugde bij de gedachte, dat in Nederland mannen en vrouwen met oprecht medegevoel, nog overvloedig te vinden zijn. Liever nemen wij den draad van ons verhaal weder op. [91]
De commissie kweet zich ijverig van hare taak. Dagelijks werden groote hoeveelheden van allerlei voedsel afgewogen en uitgedeeld; oude menschen, zieken en kleine kinderen ontvingen bovendien ook suiker, beschuit, chocolade, koffie en andere luxe-artikelen, die de gezonden natuurlijk niet kregen. Daarenboven werden wollen kleederen, dekens en brandstoffen voldoende verschaft, zoodat niemand—in Eethen tenminste—gebrek en koude behoefde te lijden.
„En dan waren al die menschen zeker in de wolken van vreugde en dankbaarheid,” zult ge vragen.
Waarde lezers en lezeressen, daar spreek ik liever niet van. Alleen wil ik u doen opmerken, dat iedere goede daad, die met het oog op dank verricht wordt, feitelijk geene edelmoedigheid meer is, maar winstbejag wordt. Bovendien raad ik u allen aan, als ge wilt wel doen, om niet te rekenen op den dank der menschen, want ge zult wreed teleurgesteld worden. „Doe wel,” maar, „zie niet om.”—
Al de goederen nu, werden uit Heusden aangevoerd met de boot, die ter beschikking der commissie gesteld en met twee ervaren schippers bemand was. [92]
En wie denkt ge, was een van deze?
Thijs! Thijs van ’t Veer.
Ge kunt nagaan, hoe verheugd de jongens waren, toen ze zoo dagelijks hun ouden vriend in hunne nabijheid hadden. Nog grooter echter werd hunne blijdschap, toen op den vierden morgen ook Toon met eene boot uit Drongelen meekwam om bij grootvader in de consistoriekamer zijn intrek te nemen.
Toen Toon er was, kwam de ware pret eerst aan. Toon wist altijd iets nieuws en … met Toon kregen ze zelfs toestemming tot varen. Met Toon zouden zij geen ongeluk krijgen. Dit ging echter niet op. Nog dienzelfden dag zouden de jongens turven gaan visschen, die in den kelder ronddreven. Deze waren tegen de muren opgestapeld geweest om de aardappels tegen den vorst te beschutten. Een paar oude deuren, die het hok hadden gevormd, dreven eveneens rond en dienden den jongens voor vlot. Met de grootste pret haalden zij achtereenvolgens alle turven op het droge. Door hunne drukte en beweging kantelde echter het vaartuig en allen lagen kopje onder. Met veel moeite wist Piet zich tegen de steenen trap op te werken, waar hij vervolgens met een drooglat uit de keuken de anderen meer dood dan levend naar [93]boven haalde. Uit was nu de pret. Moeder kwam op de kreten haastig aanloopen en stuurde hare zoons naar bed. Anton ontving deze straf niet, zijn grootvader was met de heeren naar Heusden, maar hij verveelde zich het verdere van den dag deerlijk. [94]
Zoolang het weder goed bleef en dat duurde tot den avond van den 7den Januari, was er op het eiland—voor de jongens wel te verstaan—eene gezellige afwisseling. Roelof bracht er met goedkeuren zijner moeder langdurige bezoeken en mocht zelfs eens een heelen avond blijven.
De jongens dwaalden in en om de kerk, keken uit naar de booten, die bij de speelplaats eene geschikte aanlegplaats vonden en vischten allerlei hout op, dat aan de andere zijde van de school door den tuin kwam aandrijven en door eene haag bij het bleekveld gestuit werd. Verschillende voorwerpen voerde de stroom daarheen.
Bij de bedeeling waren ze steeds tegenwoordig en ze verleenden vaak hulp bij het wegen en het meten. Eene groote vreugde was het uitpakken van de kisten en tonnen met kleedingstukken. Wat daar uit te voorschijn kwam, is moeilijk te beschrijven. [95]Het is wel te begrijpen, dat bij den overstelpenden arbeid van de allerwege opgerichte Watersnood-Commissies, van sorteeren geen sprake kon zijn. De kleedingstukken en velerlei goederen, die alom in den lande werden ingezameld, schenen wel in groote bakken of kisten te zijn opgehaald langs de huizen om daarna voor den voet op ingepakt en weggezonden te worden. Het is me later gebleken, dat dit op verscheidene plaatsen werkelijk het geval is geweest.
Hoe het zij, genoemde goederen waren eene bron van pret voor de jongens en ook voor Stans, die een enkelen keer kleine Anna een bezoek bracht.
Wat vermakelijks er in die uitpakking gelegen was, zal ik u zeggen, of liever, ik zal u opnoemen, wat er uit de kisten te voorschijn kwam: witte overhemden naast wollen dassen, warme jekkers en witte doopjurken, bouffanten en kanten sjaals, geborduurde kinderslabbetjes naast moffen en kousen, wollen dekens tusschen baljapons en wandelcostuums, half versleten tafelkleeden bij nieuwe dikke overjassen, lichte dameshoeden en ruige petten met oorlappen, broeken en katoenen clowns hansoppen, en zoo verder. Er is geen gekker mengelmoes van wollen, linnen en katoenen goederen bijeen te denken, [96]dan er uit die kisten vaak te voorschijn kwam. Eens zelfs werd tot algemeene hilariteit een compleet hansworstenpakje, tot de muts met belletjes toe, uit den chaos te voorschijn gehaald, waarmede, om de vreugde ten top te brengen, Hendrik allerpotsierlijkst werd uitgedost. In triomf werd hij door zijne kameraads naar buiten en naar de pastorie gebracht en den geheelen dag bleef hij er mee rondloopen.
Wanneer misschien een der gevers uit dien tijd mij een verwijt wil maken over het den draak steken met de voorwerpen van liefde en weldadigheid, dan moet ik er mij mede verontschuldigen, dat het toch werkelijk zoo echt grappig was.
We zullen de jongens volgen naar de pastorie.
Ze willen dus den predikant wat opvroolijken in zijne eenzaamheid? Dat zeker niet, want door den dood van dominee, een paar jaar geleden, is de gemeente zonder herder. Toch is het groote heerenhuis bewoond, bevolkt, mocht ik liever zeggen. Tusschen de kerk en de pastorie is slechts eene ruimte van nog geen 50 meters, waarvan slechts de helft onder water staat. Tusschen deze beide gebouwen of beter, tusschen beide eilanden wordt een gratis veerdienst onderhouden met twee [97]aan elkaar gespijkerde voerbakken. Oud en jong, ieder is op zijne beurt schipper, al naar de gelegenheid zich voor doet. De bakken zijn publiek eigendom en een der vele middelen van vervoer door de dorpelingen in gebruik, om heen en weer te varen en elkander bij goed weder een bezoek te brengen.
„Hei—daar, o—ver”, roepen de jongens met luide stem en weldra zijn een paar knapen uit de pastorie, gewapend met droogstokken, in het vaartuig, om de welkome gasten over te halen. Eerst gaat het door de achterdeur naar de groote keuken, waar de vroegere baker der 3 Eethensche jongens, haar man, zoon en dochter, het uitschateren van lachen bij het zien van Hendrik.
„’t Is een Indiaan,” roept de een; „welneen, hij komt van Carré,” roept een ander.
Hendrik schudt het hoofd heen en weer, dat de belletjes rinkelen. In triomf wordt hij in de aangrenzende kamer gevoerd, het voormalige studeervertrek van den ouden predikant en nu het verblijf van den dorpsbarbier, tevens daglooner, doch alleen, wat zijne eerste betrekking aangaat, in functie. De stoet groeit aan en gaat verder, begroet en achtervolgd door een aanhoudend gelach. In elk der zes benedenvertrekken woont een huisgezin en in bijna elk gezin zijn [98]kinderen. Het heele gebouw davert van toejuichingen. Aangemoedigd door het succes, put Hein zich uit in grappen en grimassen. De tocht gaat verder, de breede trap op en de algemeene slaapzaal binnen, dat is de uitgestrekte afgeschoten zolder van het hoofdgebouw. Hier vinden kinderen en jongelui hun beddeke op den vloer gespreid. Twee rijen, één en twee persoons matrassen liggen met een gang in ’t midden, over de ruimte en bijna 20 personen slapen er ’s nachts. Echtparen met zuigelingen hebben de bovenkamers in gebruik genomen en jonge meisjes slapen op de vliering. Het groote gebouw lijkt wel eene volksplanting, waar, naast meer dan 35 personen, nog honden, katten, duiven, kanarievogels een onderkomen hebben gevonden. Dag aan dag is het er kermis; buurvrouwen hebben ruzie over hunne kinderen en razen en schelden nog als het twistende kroost reeds lang vredig en wel hun spel hervat heeft. Wanneer de ouders weder verzoend zijn en elkander bebabbelen, krijgen de kinderen het opnieuw te kwaad en zoo komen zij allen den tijd door. Werken doet haast niemand. Als het niet was om een onsje koffie of een pakje tabak te verdienen, vrouw noch man zou eene hand uitsteken.— [99]
In den tijd, toen we als kleine jongens bij onzen ouden dominée vragen opzegden, hadden we weinig kunnen denken, eens in hetzelfde lokaal zooveel genoegen te zullen smaken met Thijs Groen als gastheer. De kale consistoriekamer met koude, witte muren en met ramen, uitziende op het kerkhof, was voor ons doorloopend het allergezelligste oord, wanneer we zuidwester en oliejas aan den wand zagen hangen en den ouden matroos bezig vonden om bij de kachel zijn vetleeren laarzen onder ’t smeer te zetten. Deze werkzaamheid, met de grootste zorg verricht, bracht den gemoedelijken veerschipper steeds in eene aangename stemming en we konden dan ook vast op eene anecdote of korte vertelling rekenen, die hij bij andere bezigheden nooit ten beste geven wou. Reeds vroeg in den morgen van den verjaardag van den schipper waren we met [100]Roelof en Stans bijeen om onzen ouden vriend met een klein geschenk bestaande uit een kistje sigaren en eene houten tabakspijp te vereeren. Stans deed op eene allerliefste manier het woord en gaf hem na de overreiking van ons gezamenlijk cadeau namens hare ouders eene zilveren tabaksdoos.—
Thijs was zeer gevoelig voor de blijken van toegenegenheid en beloofde zijn best te zullen doen, allen een aangenamen middag te verschaffen. Allen moesten om drie uur bij hem komen theedrinken en als ze mochten van hunne ouders ook den avond bij hem doorbrengen. Nu echter kon hij de jongelui niet langer hebben. De andere schipper zou direct komen en dan moesten ze nog even voor de heeren met de boot uit.
Prettig gestemd verlieten de jongelui het vertrek en scharrelden tusschen de koeien door om op het eiland eenige afleiding te zoeken. Niets beters te doen wetende, vroegen ze in de voorkamer van het schoolhuis te mogen komen, waar de commissie uitdeeling hield. Toen ze binnentraden was juist Rooie Dirk aan de beurt.
Dirk Oudkoop, in de wandeling Rooie Dirk genoemd, was een opgeschoten jongen van 16 of 17 jaar. Hij was de eenige zoon van het vrouwtje, dat we hebben leeren kennen op weg naar Heusden, [101]toen de jongens haar op den bolderwagen lieten mede rijden.
Dirk had een ongunstig uiterlijk en was innerlijk niet veel beter. Wegens slecht oppassen, luiheid en kleine diefstallen, was hij bij den burgemeester als daglooner weggejaagd. De jongens mochten hem nooit graag lijden en na de ontdekking van den eieren- en appelendiefstal was de verhouding er niet op verbeterd.
Met zijne moeder woonde hij aan het andere eind van het dorp op den zolder van hun huis, vanwaar hij elken morgen op een vlot naar het eiland kwam om zijn rantsoen te halen. Veel vrienden had hij daar niet, dat weten we reeds. Bovendien had hij veel ontzag voor den meester, zoodat hij zich liever niet ophield in de omgeving van het schoolhuis. Beter beviel het hem in de herberg nabij zijn moeders huis, waar hij de spaarduiten der arme vrouw opmaakte, die haar eenigen zoon niets kon weigeren.
Of hij dan niets om het oude mensch gaf? Jawel, zeker, dat ondervonden we reeds vroeger. De goede ziel was onuitputtelijk in lof over haar „goeden” jongen en blind voor zijne ondeugden. Hij, van zijn kant, was zeer gehecht aan zijne moeder, maar had haar op zijne wijze lief. Al [102]vroeg had hij geleerd, en dit was waarlijk zijne schuld niet, dat zijne moeder voor hem en niet hij voor zijne moeder was.
Bewees hij haar een dienst, dan was het eene gunst.
„Heb je nog iets,” vroeg de meester den wachtenden jongen.
„Ja meester, mag ik alsjeblieft wat suiker en koffie, want moeder is ziek en ze heeft er zoo’n trek in.”
Ge moet weten, dat overal de zieke menschen uit den grond verrezen. Geen wonder, door het water en de natte huizen, niet waar! Nu ja, er waren vele zieken, maar meer nog waren er, die zich ziek hielden, om op die manier zich iets extra’s te verschaffen. Dirk stond bekend als de grootste leugenaar, die op twee beenen rondliep, en geen der drie heeren kwam het in de gedachten, deze artikelen aan Dirk te verschaffen. Een oogenblik liet deze, half ter neer geslagen, half beschaamd, daar zijne woorden niet geloofd werden, het hoofd hangen. Spoedig echter, met een vloek tusschen de tanden, verwijderde hij zich.—
We zullen ons niet bezighouden, hoe Thijs zijne gasten dien middag trakteerde op thee en beschuiten met boter en suiker, maar liever met hen [103]luisteren naar wat de oude matroos eerst in het rustige middaguur hun en daarna verder in den avond aan de steeds aangroeiende bezoekers vertelde. We geven dus verder het woord aan Thijs.
—„Ik ken geen schooner en eervoller beroep dan dat van zeeman, maar ook geen moeilijker.
„Nauwelijks heeft men voet aan boord gezet, of men begint te begrijpen, dat het leven daar heel iets anders is dan thuis bij moeders pappot; doch ook, men begint reeds het zelfde oogenblik zijn schip en de zee lief te hebben.
„De scheepsjongen, die voor het eerst het dek betreedt, wordt gewoonlijk met heel weinig liefde ontvangen. Niet alleen is hij weinig in tel, maar de zeeman moet eerst zien, wat er in hem zit, eer hij eenige blijken van toegenegenheid zal geven, waar hij toch al karig genoeg mee is.
„Te Nieuwediep kwam ik voor ’t eerst aan boord van een Oost-Indiëvaarder.
„Den kapitein zag ik eerst den volgenden dag. De 1e stuurman ontving me, al was het niet heel deftig. Hij vroeg mijn naam en vertelde me daarop, dat het schip, de Zeemeeuw, voortaan mijne heele wereld zou zijn, waar ik hard moest werken, maar niet het minste te zeggen had. Ik [104]moest vliegen op elk commando en moest nu maar gauw naar den drommel loopen, dat wil zeggen, naar het logies. Scheepsjongen te zijn is een hondenbaantje. Je wordt gecommandeerd door iedereen, van den bootsman af tot den minsten lichtmatroos toe. Is de kapitein uit zijn humeur, dan moeten de scheepsjongens het ontgelden. Niet onmiddellijk natuurlijk, maar trapje voor trapje omlaag. Door de matrozen wordt je uitgescholden bij het minste vergrijp en als een matroos zelf iets onaangenaams van zijn meerdere ondervindt, moet de jongen, die hem het eerst tegen komt, er meestal voor opdraaien. Hoeveel scheldwoorden, stompen en slagen mijn deel geweest zijn, zal ik maar niet vertellen; dat is nu eenmaal met iederen jongen het geval. De zeelui beschouwden dat, ten minste in mijn tijd, als een noodzakelijk deel van onze opvoeding.
„Hoewel ik meer dan eens in een hoekje heete tranen gestort heb, als ik terug dacht aan ons vriendelijk, armoedig huisje in ’t duin, kon ik me er vrij spoedig in schikken. Thuis was ik niet veel gewend, liefde had moeder wel voor ons jongens, maar eten gewoonlijk niet. Mijn vader was als visscher verdronken, toen ik nog geen tien jaren oud was. Wat ik echter steeds van [105]mijn jongenstijd aan boord heb overgehouden, is dit geweest, dat ik later als matroos nooit een scheepsjongen noodeloos verdriet aangedaan heb.
„Erger was het lot der jongens, die uit den beschaafden stand kwamen, te meer nog, daar verscheidene matrozen zich er een feest van maakten, om hen dubbel te plagen. Het waren de adspirant-officieren op een koopvaardijschip en als zoodanig moesten die belhamels van matrozen zich nu al wreken over wat de jongens, eenmaal zelf superieur, hun en hunnen kameraden zouden aandoen.
„Van een dergelijken jongen wil ik u een en ander vertellen.
„Ik was reeds vol matroos, toen Eduard aan boord kwam. We hadden met de Antilope eene lading stukgoederen ingenomen, bestemd voor Batavia, toen hij, een dag voor de uitreis, aan boord kwam. Zijn vader bracht hem. Al dadelijk merkten we aan hem en aan zijn oude, dat hij uit eene heele andere omgeving kwam, dan allen, die op het voordek hun verblijf hadden. Hij had eene beschaafde uitspraak, nette manieren en was drommels geleerd. Lezen, schrijven, rekenen, brieven opstellen, van alles kon ons heertje en menigeen van ons is hij van dienst geweest, als wij met onze kromme vingers geen letter op papier [106]konden krijgen. Toch was hij geen verwende fat. Ik zie hem nog voor me met zijne open, heldere oogen, flinke, eenigszins breede gestalte en kalme, soms brutaal uittartende houding. In weinige dagen was hij aller vriend geworden en wel vooral door het volgende feit:
„Pas enkele dagen waren we onder zeil, toen Jim, een Engelschman van geboorte en een goed, doch zeer ruw matroos, den reeds meermalen geplaagden scheepsjongen toevoegde.
„„Laat eens zien of je de zeemansvloeken al kent, fijne meneer.”—
„De jongen keek hem brutaal aan en zei: „Die zal jij me nooit leeren.”
„„Pats,” klonk het en Jim gaf hem onder de hevigste verwenschingen een klap tegen ’t aangezicht, dat mond en neus in een oogenblik een driedubbelen omvang kregen. Bloedend en half bewusteloos bleef hij liggen. Toen we hem ophelpen wilden, rees hij zelf overeind, duwde ons op zijde en waschte zonder iets te zeggen het bloed weg.
„Nu wil het ongeluk, dat juist de kapitein eene inspectiereis op ’t voordek maakte en den jongen in ’t oog kreeg.
„„Wat is er met jouw gebeurd, jongen?”—
„„Gevallen mijnheer,” zei hij en dat was immers zoo. [107]
„„Hoe kwam dat?”—
„„Weet ik niet mijnheer.”—
„„Wat, satansche jongen, weet jij dat niet?”—
„„Neen mijnheer!”—
„Op nog een paar dergelijke vragen van den ouwe, gaf hij hetzelfde antwoord.
„Wij hoorden alles aan en toen de kapitein weg was, gaf de ruwe Jim hem eene hand met de woorden: „Je bent een flinke kerel; jammer, dat je de zeemanstaal niet kent.” „Jammer, dat jij ze wel kent,” was het antwoord en daarmede was de vriendschap gesloten.
„Eén was er echter aan boord, die Eduard maar niet mocht lijden. Dat was de 2de stuurman, ook een goed zeeman, maar iemand met een laag karakter. Daarbij kwam, dat hij gaarne voor een heer doorging. Hij was van afkomst ook een visschersjongen en langzamerhand stuurman geworden. Bij het volk was hij niet in tel en bij de passagiers evenmin; die schenen hem er nog al eens tusschen te nemen, maar daar merkten wij matrozen natuurlijk weinig van. Van Eduard kon hij maar niet verdragen, dat deze hem, tot groot vermaak der andere officieren en der passagiers, zonder eenige vrees en steeds met dezelfde koude beleefdheid te woord stond. [108]
„Een zekeren keer riep hij hem bij zich.
„„Scheepsjongen Eduard, kom hier.”—
„„Present mijnheer.”—
„„Maak dat bindsel eens vast in het boven-bramrazeil.”—
„Eduard zei niets, salueerde en klom niet te vlug en niet te langzaam naar boven.
„„Nog iets mijnheer?” en weer salueerde hij.
„De stuurman gaf hem achtereenvolgens eenige steeds moeilijker op te volgen bevelen, die echter met dezelfde kalmte vervuld werden, zonder dat iemand der aanwezigen slechts den minsten weerzin konden bemerken in het gedrag van den jongen. De stuurman moest dus eindelijk zijne klaarblijkelijke plagerijen staken, die op den jongen geen vat schenen te hebben, tot zijne verbeten woede, maar tot stille hilariteit van den bootsman, den opperstuurman en twee passagiers, die er bij tegenwoordig waren. Hij beet hem toe: „Ruk nu maar op.”
„„Dank u, mijnheer,” salueerde en ging regelrecht naar het logies, waar hij stikkend van lachen ons zijn wedervaren verhaalde. Zoo werd hij door dezen op alle manieren geplaagd en Eduard betaalde hem zeer onderdanig met dezelfde munt.
„Dienzelfden jongen heb ik nog gekend als kapitein.
„Na een paar reizen had ik hem uit het oog [109]verloren en niet meer ontmoet, toen ik op een mooien dag te Rotterdam mijn naam hoorde roepen. Ik had me laten afmonsteren na een reis met een hond van een kapitein en zocht eene andere „steê”. Met dat ik nu omkijk, staat Eduard voor me. Ge kunt nagaan, welk eene hartelijke begroeting nu volgde. Hij vroeg me of ik al een schip had en of ik geen lust gevoelde, weer met hem op denzelfden bodem te varen. Het lokte mij wel aan en we gingen dus samen naar de Boompjes, waar hij me voorging naar de achterkajuit van een schip, weder bestemd naar Oost-Indië.
„„Hoor je al achter thuis, drommels, dan ben je al officier?”—
„„Dat ben ik, maar dat doet aan onze vriendschap niets af.” Toen hij echter mijn naam enz. ging opteekenen, kreeg ik er lucht van met wien ik te doen had. „Ben je, is u dan?.…”
„„Ja zeker,” vervolgde hij lachend, „ik ben de kapitein.”
„Ik heb er nooit spijt van gehad bij hem aan boord te zijn gekomen. Integendeel, de jaren, die ik bij hem gevaren heb, behooren tot de gelukkigste mijns levens. Hij was bemind door oud en jong en de matrozen vlogen voor hem door ’t vuur. Het is ééne gebeurtenis, die er veel toe [110]bijgedragen heeft om hem in onze oogen tot een soort van halfgod te verheffen.
„We waren van Makassar op weg naar Sidney. Toen we de Torresstraat gepasseerd waren, raakten we door een noodlottig verzuim van den opperstuurman te midden van rotsachtige eilandjes en koraalriffen. Nu wil het ongeluk, dat een storm losbreekt in de onmiddellijke nabijheid van die hoogst gevaarlijke klippen, waarheen een hevige stroom ons in ’t verderf trachtte te slepen. Wij wisten van dat alles niets en zaten voor ’t meerendeel in ’t logies. De meesten gaven luide hunne afkeuring te kennen over het feit, dat de kapitein met zulk noodweer liet lenzen, dat is, met stormweer met weinig zeil voor den wind wegloopen. Met razenden spoed sneed ons vaartuig de golven en alles knarste en kraakte van de vaart.
„„Hij voert ons naar de haaien,” zei de bootsmansmaat. „Straks slaat alle tuig over boord en dan kunnen we mekaar wel genacht zeggen.”
„Ook ik was er bang voor, moet ik eerlijk bekennen, al trachtte ik de anderen zooveel mogelijk neer te zetten.
„„Hij moet laten bijdraaien,” riep eindelijk zelfs de bootsman uit, toen we inmiddels weder op ’t dek waren. „Zoo gaan we den grond in, daar helpt [111]niets aan.” Ten slotte werd de bootsman afgevaardigd om den oude te verzoeken bij te draaien en te zeggen, dat we ’t anders zelf zouden doen. ’t Was geen gemakkelijke taak; niemand anders had tenminste lust. Een van ons, een groote Deen, die het hardst had opgespeeld, gevoelde weinig trek om den kat de bel aan te binden en bijna was het me zelfs gelukt de lui over te halen maar op den ouwe te vertrouwen. De kapitein stond op de verschansing en alles brulde en kookte en kraakte om hem heen. Recht op, met den ernst op ’t gelaat, kalm en vastbesloten, stond hij daar en gaf zijne bevelen. Doodsbleek, half wezenloos en versuft, stond de opperstuurman naast hem. De toestand was schier hopeloos, dat was voor ieder ervaren zeeman te zien.
„De bootsman naderde hem.
„„Mijnheer, we gaan den grond in,” begon deze aarzelend.
„Geen antwoord.
„„Mijnheer, ’t kan zoo niet blijven.”—
„Feitelijk beging de bootsman insubordinatie en in angstige spanning wachtten wij af. Verzet en oproer lag in ’t vooruitzicht.
„„Mijnheer, we moeten bijdraaien,” hervatte hij, voor de derde maal. [112]
„De kapitein zag hem kalm aan en op den eenvoudigsten toon ter wereld, zonder de minste verheffing van stem, klonk het uit den mond van dezen:
„„Nog iets, bootsman, dan kunt u gaan!”—
„Hij nam geen notitie meer van onzen afgevaardigde, die, als een hond met den staart tusschen de beenen, afdroop.
„Niemand had lust zich aan een dergelijk onthaal te wagen en we wachtten dus af. Ruim een uur later, liet de ouwe werkelijk bijdraaien.
„De bootsman werd geroepen. Met looden schoenen ging hij heen.
„„Bootsman fluit het volk voor een extra oorlam. We zijn bijna door den hevigen stroom op de riffen gedreven, maar gelukkig hebben we ’t gevaar ontzeild.”—
„Met deze boodschap kwam hij bij ons terug. Eerst was het doodstil, we waren allen onder den indruk. Toen stond de Deen op, sloeg met de vuist op tafel en riep: „Hij heeft meer verstand in zijn duim dan wij allemaal samen. Dat kan hij me niet meer commandeeren of ik doe het. Leve de ouwe, hij weet alles ’t beste! Hoera!”
„Nooit heb ik met zooveel vuur, „hoera!” hooren roepen, als toen in ’t logies. [113]
„Ook tegen den opperstuurman heeft de kapitein nooit een woord gerept over ’t heele geval en deze was er toch feitelijk de schuld van.
„Van dat oogenblik hadden we een blind vertrouwen op onzen kapitein.”
Onder het verhaal was het langzamerhand donker geworden. De jongelui en Thijs zaten gezellig om de rood gloeiende kachel en verscheidene andere bezoekers hadden plaats genomen op de beide banken en een paar stoelen in het vertrek. Niemand lette op de binnenkomenden; ’t konden slechts goede bekenden zijn. Niemand lette onder de vertelling ook op den vreemdeling, die ongemerkt binnen trad en op een stoel dicht bij een raam plaats nam.
„Heb je lang bij dien kapitein gevaren?” vroeg Roelof.
„Ja jongen, nog verscheidene jaren, totdat een schipbreuk aan de Fransche kust al mijne makkers het leven kostte.”—
„Toe Thijs, vertel dat eens.”—
„Neen jongens, we gaan eerst eene boterham eten, jelui thuis, en ik hier. Die schipbreuk was buiten iemands schuld en zonder den kapitein, was ik eveneens verdronken.”—
„Die kapitein had ik wel eens willen zien. Hoe heette hij wel?”— [114]
„Rondhout, jongens, maar gelooft de helft niet, wat die ouwe je op den mouw spelt. Rondhout, en hier is hij;” zoo klonk eene stem van het raam.
Verbaasd vliegen allen overeind; Thijs het meest. „Hemelsche goedheid, hij is ’t zelf!”
„In levende lijve,” herneemt de vreemdeling, terwijl hij eerst Thijs en daarna Anton hartelijk de hand schudt.
„Ik was nog geen dag te Rotterdam binnen, toen ik hoorde, dat jelui hier tot de keel in ’t water zat. Van alles heb ik al beleefd en in alle zeeën heb ik gevaren, doch nooit op een ondergeloopen polder. Mijn oudje is op ’t oogenblik bij mijn schoonzoon; die is, zoo je misschien weet, ontvanger te Heusden. In dat nest kon ik het geen twee dagen uithouden en ik dacht, weet je wat, ik ga Thijs eens opzoeken, en nu ben ik hier. Maar zeg eens, heb je niet een paar mannetjes om mijn kist binnen te slepen.”—
Wel 6 personen vlogen tegelijk naar buiten om aan het verzoek te voldoen.
„Ga nu maar gauw eten, jongens,” hernam Thijs. „Om half 7 verwacht ik je weer hier.” Ook de andere bezoekers vertrokken en Thijs bleef met zijn gast en zijn kleinzoon over.
De jongelui vlogen weg en het behoeft wel [115]niet gezegd te worden, dat ze binnen den kortst mogelijken tijd weer bijeen waren om met ongeduld te wachten tot de klok half 7 wees.
„Welkom binnen, jongelui, welkom binnen,” riep de kapitein den jongens toe, toen ze precies op tijd binnenstormden. „Zeg me eerst allen uwe namen eens en breng me dan een hamer en een nijptang om deze kist open te maken, als je wilt.”
Nu, dat wilden ze graag genoeg, want allen waren al even nieuwsgierig naar den inhoud van den grooten koffer.
„Toen ik in Rotterdam van het ongeluk hoorde, dat de bewoners van deze streek getroffen had, maakte ik al direct plan om je hier op te zoeken, te meer daar ik toch naar Heusden moest. Om je de waarheid te zeggen”—aldus redeneerde de kapitein, terwijl hij met hamer en nijptang het deksel van de kist losmaakte—„om je de waarheid te zeggen, verwachtte ik je half uitgehongerd aan te treffen. In Rotterdam werden overal giften en kleederen ingezameld voor de noodlijdenden en in Heusden werd ik in mijne meening nog versterkt, doordat er handen te kort kwamen om alle booten te vullen, die er [116]levensmiddelen en brandstoffen kwamen halen. Om kort te gaan, ik heb in Rotterdam dezen koffer voor een goed deel laten vullen en te Heusden heb ik hem zelf verder vol gedaan. „Thijs en zijn jongen zijn bij hun vrienden,” dacht ik,—want toevallig sprak ik uw burgemeester in het Wapen van Amsterdam,—en we zullen zorgen, dat ze aan een ongenooden gast geene schade hebben. ’t Is van mij intusschen eigenbelang, want ik zou hier graag een paar dagen rondkijken en je weet, aan heel of half hongerlijden heb ik vreeselijk het land. Zie zoo, heb je nu hier een kast of zoo iets, dan zullen we ’t wel redden. O ja, die in den hoek daar is groot genoeg.—
„Hier heb ik eerst een paar potten met vleesch. Er is samen ongeveer 50 pond in. Wat je niet versch gebruiken kunt, moet je maar met dezen zak zout in de pekel zetten. Hier Toon, berg jij dat brood eens op. Dit is een trommel met groot brood en dit met kadetjes en krentenbroodjes en deze hier is met beschuit. Kunt ge dezen zak ook een plaatsje geven. ’t Is wat snoeperij voor de jongelui om je verjaardag te vieren, Thijs! Die flesschen wijn zijn er ook voor en deze zijn voor ’s middags bij ’t eten, want mijn glas wijn kan ik bij ’t middagmaal niet missen. Kolossaal, [117]wat is die Leidsche kaas zwaar. De Edammer kaasjes zijn wat oud. Neemt eens aan: twaalf bussen zalm, 24 sardines, 12 kreeft en 12 flesschen haring in ’t zuur. Groenten en vruchten zitten in deze bussen en hier heb ik nog gecondenceerde melk ook, maar dat is zeker overbodig, want je breekt je hals over de koebeesten als je binnenkomt. Zijn er ook kistjes voor gort en rijst? Anders laat je het maar in de zakken staan. Dan hebben we nog een kistje met gerookte paling, een met sinaasappelen en een met noten en kastanjes. Ziezoo, nu zijn wij bijna aan ’t eind. De gaten zijn volgestopt met scheepsbeschuit. Wacht, hier is nog wat: koffie, suiker, thee en tabak. Als je soms geen pijpen hebt, die zijn hier en sigaren zijn in deze blikken trommel. Een bed heb ik maar niet meegebracht, met deze twee dekens zal ik me wel redden.”—
„Neem me niet kwalijk, kapitein,” zei Thijs, die met verbazing alle artikelen uit de kist te voorschijn had zien komen, „heeft u soms ook een huis en meubelen bij u, dan is alles compleet om 3 maanden in ’t ijs te zitten.”—
„Of om eene belegering te doorstaan op het eiland,” lachte Roelof en allen deden hartelijk mee. Kapitein Rondhout schudde van pleizier, toen hij [118]de halve kamer gevuld zag en met welgevallen zag hij het vroolijke troepje jongelui aan.
„Nu het laatste,” riep hij schaterend uit. „Ik wist wel, dat Thijs altijd een troep ondeugende bengels om zich heen had en daar heb ik ook voor gezorgd. Eerst jou verjaardag Thijs, die zit in deze doos; ’t is allemaal rookgerij, iets anders wist ik niet voor je uit te denken. En dan hier, maar weet je wat, deel jelui dat maar samen. Hoe meer je er om vecht, hoe liever ik het heb.”
De jongens vonden in een kistje vier gelijke inktstellen, 4 mooie penhouders en 4 verschillende boeken met gelijken band. Van vechten was dus weinig sprake; het bleek, dat de gever zich goed had laten inlichten. Zelfs om Stans had hij gedacht en voor haar was een keurig album en een byouterie kistje in de doos.
Eer de jongens hun dank konden betuigen, nam de kapitein weder het woord.
„Ik hoorde zoo even, dat er meer gasten komen. ’t Is hoog tijd om den boel op te ruimen. We moeten er eens een waar feest van maken, ouwe,” en hij klopte Thijs op den schouder. „Vertoon nu je kunst eens om een tafel klaar te maken, even als toen we samen om de Kaap op den verjaardag van den kolonel voor kellner moesten spelen. Waar [119]blijft de tijd. Tegenwoordig heb je geen passagiers meer op een zeilschip.”
In een oogwenk was alles opgeruimd en terwijl de jongens allerlei dingen als trommeltjes, glazen, blaadjes en kopjes uit het huis van den meester haalden, zorgden Thijs, de kapitein en Stans voor eene keurig aangerichte tafel, waaraan alleen de bloemen ontbraken. ’t Was een gejubel en een gelach in de consistoriekamer zonder eind. Het vertrek geleek een feestzaal, toen de heer en juffrouw Den Bosch en mevrouw Van den Oever binnentraden en met verbazing alles aanzagen. De kennis was spoedig gemaakt en weldra zaten allen gezellig en prettig in het lekker warme vertrek. Kleine Anna zat weldra vertrouwelijk op des zeemans schoot en schaterde het uit, wanneer het gezelschap hartelijk lachte om de snaaksche invallen van den kapitein. Zij at koekjes, taartjes en ulevellen tot hare moeder eindelijk vond, dat het genoeg was.
„U moest ons nu eens vertellen, mijnheer,” sprak Roelof, die naast den zeeman zat, „waarom u bij ’t binnenkomen van middag zei, dat van wat Thijs vertelde de helft waar was. We hebben hem nooit hooren liegen en wien moeien we nu gelooven?”
„Daar heb ik grondige redenen voor, mijn [120]jongen. Thijs liegt nooit, dat weet ik wel, maar ik evenmin. Liegen doen alle lage karakters en lafaards. Het is een laffe ondeugd, waar iemand, die eenig gevoel van eigenwaarde bezit, zich nooit aan bezondigd. Maar ’t is wat anders. Thijs stelt verschillende dingen voor als deugden, wat niets anders dan plicht is. Wie b.v. zijn volk als kapitein niet eerlijk en rechtvaardig behandelt, is een schurk en wie het wel doet, doet alleen, wat hij moet doen. En wat het geval van die schipbreuk betreft, ja, dat is goed beschouwd maar half waar. Als Thijs mij op ’t laatst niet gered had, zou het weinig gegeven hebben, dat ik de lekke schuit op ’t strand had weten te krijgen.”—
„En als u niet met meesterlijk talent het schip nagenoeg tegen wind en stroom in op de kust had gestuurd, waren we allemaal als ratten verdronken en nu zijn er nog 2 van over,” voegde Thijs hem toe.
„Ik zal u zeggen, hoe dat gegaan is,” riep de zeeman uit. „We zaten op de Fransche kust vast en alleen aan bakboord konden hij en ik ons nog vastklemmen, de rest van schip en volk was al naar de haaien. Thijs springt in zee en ik blijf natuurlijk ’t laatst, dat is de plicht van elken gezagvoerder. Hoe hij door de branding heen geworsteld [121]is, mag Joost weten, maar hij kwam er. Nu was er wel eene reddingboot op ’t lage strand, maar die was al meer dan eens terug geslagen. Thijs sprong, nauwelijks aan wal, en half dood, zooals men mij later vertelde, zelf in de boot en vuurde de lui daar zoo aan tot de uiterste krachtsinspanning, dat ze door de branding kwamen en mij half dood in de boot haalden. Ze legden me naast den inmiddels van vermoeiing en ontbering bewusteloos geraakten matroos neder en eerst in een hospitaal te Duinkerken kwam ik weer tot bewustzijn. Thijs was intusschen al naar Holland gereisd om mijne vrouw gerust te stellen.”
„En hoe kwam het toch,” vroeg de meester, „dat alle anderen van de bemanning reeds weg waren?”
„Doodeenvoudig, mijnheer, omdat Thijs en ik alleen nuchter waren en de overigen, zooals het gewoonlijk bij schipbreuk gaat, dronken.”—
Ondertusschen was het al half 10 geworden en de dames spraken van naar huis gaan.
Daar kwam de kapitein echter tegenop. „Eerst zullen we een glas wijn drinken,” sprak hij. „De chocoladeketel zullen we nu maar aan de jongelui overlaten.” Deze lieten zich dan ook niet onbetuigd en dronken naar hartelust, terwijl ze om de kachel noten kraakten en kastanjes aten. [122]
Nog geruimen tijd bleef het gezelschap prettig bijeen en het sloeg 11 uur, eer iemand er aan dacht. Toen stonden allen tegelijk op. Anna lag reeds op een deken in een hoek te slapen.
„Waar logeert u, mijnheer Rondhout,” vroeg mevrouw Van den Oever.
„Hier mevrouw, mijne dekens heb ik mee gebracht.”—
„Gaat u dan alsjeblieft met ons mee. De logeerkamer is klaar en hier slapen—och kom, hoe kan dat nu.”—
„Zeelui weten zich te behelpen, mevrouw. Uw aanbod is echter wel wat aanlokkelijker en ik wind er geen doekjes om, dat ik het verre verkies boven het verblijf hier in de kerk.”—
„Afgesproken dus, u vaart mee over. Anton logeert de laatste dagen ook bij ons, omdat de andere schipper bij Thijs zijn intrek genomen heeft. We gaan dus met een heel gezelschap huiswaarts.”—
Na een hartelijk afscheid roeide Thijs de gasten van Vrederust naar huis en bracht zijn kameraad mede terug. Deze had Janus en de meiden aldaar gezelschap gehouden en verlangde hartelijk naar kooi. [123]
Op denzelfden avond, dat Thijs en zijne vrienden gezellig feest vierden, zouden we in een der herbergen van het dorp twee personen hebben kunnen vinden, die blijkbaar weinig goeds in hun schild voerden.
Een van deze is voor ons een oude bekende, het is Rooie Dirk. Kon deze al niet roemen op een gunstig uiterlijk, de andere nog veel minder. Wie hij was, weten we niet. Hij had den heelen dag gezworven in en om de herberg en scheen eindelijk in Dirk den gewenschten man gevonden te hebben. Hem precies te beschrijven, achten we overbodig. Genoeg, dat hij er tamelijk verloopen uitzag en omstreeks 30 jaar oud was. Hoewel het gesprek fluisterend gevoerd werd en niemand iets verstaan kon, bevielen aan het eene sujet blijkbaar de wantrouwende blikken van den kastelein niet, tenminste na eene korte beraadslaging betaalde hij en beiden vertrokken. [124]
Met het vlotje van den Rooie voeren ze achter het huis van dezen om en beklommen door een luik den zolder van den kleinen stal, die echter sinds verscheidene jaren als zoodanig geen andere dienst gedaan had dan om een geit en kippen te herbergen. De landlooper haalde een eindje kaars te voorschijn, stak het aan en plaatste het op een balk. Toen zette hij het gesprek voort.
„Ge ziet, ik heb mijne maatregelen goed genomen. De burgemeester is in Heusden en op Vrederust is geen mannelijk persoon dan een oude knecht. De brandkast staat in het kantoor en gij weet den weg door het heele huis. Als we den buit binnen hebben, deelen we eerlijk, jij gaat naar bed en ik verberg me eerst een dag hier op den stalzolder; morgen nacht zoek ik met mijn bootje een goed heenkomen. Daar de burgemeester den sleutel, dien ik hem in zijn logement ontstolen heb, wel niet missen zal, blijft de diefstal de eerste week zeker geheim. Ik ga nu dadelijk terug naar de kroeg, drink me schijnbaar dronken en kruip dan net als gister op den hooizolder. Op jou valt dus niet de minste verdenking. Doe je nu mee of niet?”—
Vrees, hebzucht en misschien nog een klein sprankje beter gevoel streden bij Dirk om den [125]voorrang. Eerst scheen het of hij wilde weigeren. De behandeling bij de bedeeling gaf eindelijk den doorslag. Hij stemde toe.
„Om half 1 kom ik je met het schuitje afhalen. Kan het vannacht in de schuur geborgen worden?”—
„Jawel, alles komt in orde hoor, vertrouw maar op mij.”—
„Neen wacht even, ik heb nog iets,” riep de Rooie den andere na. „In het kantoor moet, naar ik hoor, een schippersjongen slapen.”
„Is ’t anders niet. Koord en een doek heb ik bij me. Je zult eens zien hoe gauw of ik dien rekel klaar heb. Maar dan moet ik vannacht al maken, dat ik weg kom.”—
Toon werd dien nacht zeer onzacht wakker geschud uit zijn rustigen slaap. Eer hij echter om hulp kon schreeuwen, had hij een prop in den mond, was hij geblinddoekt en waren hem handen en voeten met sterke koorden gebonden, zoodat hij zich niet bewegen kon, welke wanhopige pogingen hij in ’t werk stelde.
De dieven, die door het raam binnengekomen waren, konden nu ongestoord hun slag slaan. De brandkast ging zonder gerucht open en nadat een groote doek op den grond was uitgespreid, begonnen zij behoedzaam de kast te ledigen. [126]
Indien de booswichten echter dachten, dat niemand iets hoorde, vergisten zij zich zeer. Naast het kantoor was de logeerkamer, waar kapitein Rondhout lag. Deze sliep altijd zeer onrustig, een gevolg van zijne verantwoordelijke betrekking. Het geluid van het opschuiven van een raam, had hem wakker gemaakt. Eerst dacht hij zich vergist te hebben, maar toen hij eenige oogenblikken later iets hoorde vallen, achtte hij het raadzaam eens te gaan zien. In den gang gekomen zag hij licht in ’t kantoor. Hij opende de deur en in nachtcostuum stond hij voor de hevig verschrikte inbrekers. De een was echter bekwaam in het vak. „Jij van achter en ik van voren,” beet hij den ander toe; tegelijk vlogen beiden op den kapitein toe. Zij hadden zich echter in dezen deerlijk misrekend. De landlooper kreeg, eer hij er erg in had, een vuistslag, dat hij aan de andere zijde van het vertrek tegen het raam vloog. Dirk voelde zich, terwijl zijn kameraad het hazenpad koos, door een ijzeren vuist bij de keel gegrepen. De kapitein zag heel spoedig, hoe het met Toon gesteld was en terwijl hij den booswicht als een trillend schoothondje op den grond smeet met de belofte hem bij de minste beweging tegen den muur te plakken, verloste [127]hij Toon van zijne knellende banden. Dirk werd met dezelfde koorden gekneveld, dat hem de banden door ’t vleesch sneden.
„De tweede is er van door, maar ik heb hem op zijn oogen een kenteeken bezorgd, dat hij de eerste week niet kwijt is. Wat moeten we met hem doen. Zouden we mevrouw waarschuwen of niet, wat dunkt je?”—
„Ik zou eerst Roelof roepen en het aan hem overlaten, vindt u dat goed?”—
„Wel zeker, dat lijkt me een flinke knaap. Weet je zijn slaapkamer? Goed. Roep hem dan, maar voorzichtig.”—
In een oogenblik was deze gekleed en beneden, waar nu krijgsraad gehouden werd. Op voorstel van den zoon des huizes zouden ze wachten tot den volgenden morgen om het aan iemand te vertellen. Zijne moeder was flink genoeg, maar Stans zou vreeselijk schrikken. Hij en Toon, zouden met de boot, die achter het huis lag, naar de pastorie roeien, waar de veldwachter zijne tijdelijke woonplaats had, en deze kon, daar het reeds bij drieën was, tot den morgen op den gevangene passen.
De kapitein bleef dus bij den dief; de jongens, staken eene lantaarn op en gingen op weg. [128]
„Durf je het wel aan,” vroeg de zeeman. „De andere kan nog wel hier of daar zitten.”
„Geen nood, mijnheer,” antwoordde Toon, die plezier begon te krijgen in het nachtelijk avontuur. „Op de werf is u in de nabijheid en op ’t water moet hij een kerel wezen om me de baas te zijn.”
Roelof vond, toen hij zich den toestand goed ingedacht had, het geval niet onaardig en moedig roeiden de knapen tusschen de boomen door een weiland over en de poort van het groote huis binnen. Het bericht verwekte hier groote ontroering, want den veldwachter wekken zonder het meerendeel der bewoners wakker te maken, ging niet. Deze was spoedig gereed en daar hij zoo verstandig was om ook de voerbakken op sleeptouw te nemen, hadden ze voor ongewenschte nieuwsgierigen niet te vreezen.
In het kantoor van den burgemeester zat de kapitein op zijn gemak eene pijp te rooken. Zijn gevangene stond in eene deerniswekkende houding voor hem. Zijn knieën knikten, zijn gelaat was doodsbleek en duidelijk waren de rillingen te zien, welke hem over ’t lichaam liepen. Toen hij den dienaar van den heiligen Hermandad zag binnentreden, op militaire wijze den kapitein groetende, [129]zakte hij van schrik en overspanning ineen.
„Ik heb den knaap de boeien maar weer afgenomen, jongens,” zei de zeeman, na eerst den veldwachter gegroet te hebben. „Gij zult me verplichten, Baars, zoo is immers uw naam, om er nota van te nemen, hoe gij hier alles gevonden hebt. Als gij ’t gezien hebt, kan de zoon van den burgemeester de stukken en het geld weder opbergen en de kast sluiten. Dezen veelbelovenden jongen vond ik bezig met inpakken; de andere, die er van door is, was met zijn lange vingers aan ’t uithalen. We hebben hem hier, zooals ik zooeven zeide, gebonden met dezelfde touwtjes, waar ik Anton mee vond, maar toen ik alleen met den jeugdigen booswicht was, schaamde ik me een beetje over mijne hardhandigheid en bovendien, ik mag de justitie het werk niet uit de handen nemen. Nu is hij tot uwe beschikking.”
„Wat dunkt u, mijnheer, zouden we nog moeite doen om nummer 2 te vangen. Als Toon en ik samen roeien zullen we hem wel inhalen.”—
„Om u de waarheid te zeggen, Baars, dan zag ik liever de jongens niet meegaan. Wat u betreft, daarover mag ik niet oordeelen. Daargelaten, dat ge hem in de duisternis moeilijk zult krijgen, daar hij al een uur voorsprong heeft, ligt er [130]voor mijn gevoel iets stuitends in om jongens te gebruiken voor eene dergelijke jacht. Geloof niet, dat ik iets onteerends vind in uwe betrekking. Integendeel, ik heb veel respect voor uw stand. Ik zie er echter dit in. Als de jongelui met u meegaan (en ze zullen het gaarne doen), wekt de jacht bij hen onedele hartstochten op. Gij zult uw best doen om de maatschappij te verlossen van een schadelijk individu. Die man is in zekeren zin een ziekteverschijnsel en de politie met de justitie is de geneesheer. De jongens echter zien in hem een vijand en eenmaal op weg, wordt hij gaandeweg meer het voorwerp hunner wraak. Deze jeugdige booswicht hier, wekt bij mij slechts een gevoel van medelijden. Ik bejammer het in zoo’n gezonden, flinken knaap zoo’n verdorven karakter te ontdekken.”—
Tot Dirk vervolgde de zeeman:
„Hebt ge ouders? Zoo, eene moeder! In plaats van haar, die u zeer zeker lief heeft, tot zegen en steun te wezen, strekt ge haar tot schande. Wat zal zij gevoelen, als ze hoort van uwe snoode daad? Zal zij, die geheel onschuldig is, die nu misschien bidt voor uw welzijn, nog met opgeheven hoofd over straat durven gaan?”—
Onderwijl de kapitein sprak, had de Rooie getracht, [131]zijne onverschillige houding weder aan te nemen. Het gelukte hem echter niet, zoo zeer had de angst hem bevangen. Toen hij echter zijne moeder hoorde noemen, kon hij zich niet meer inhouden. Tranen van spijt en berouw kwamen hem in de oogen. „Moeder! o, moeder!” kreunde hij.
De veldwachter zag hem streng aan. Den kapitein evenwel scheen deze uitroep te verrassen. „Ge hebt dus nog gevoel,” vervolgde deze. „Wie nog met eerbied aan zijne moeder denkt, is nog niet totaal verdorven. Jammer, dat ge niet eerder aan haar dacht.”
„O, spaar het haar tot ze beter is. Mijnheer, laat me even spreken, om te doen zien, dat ik niet zoo slecht ben, als gij denkt. Wat een ander van me zegt, is me onverschillig, maar wees u alsjeblieft billijk voor me. Mijne moeder is ziek, erg ziek, en ik vroeg gister om eenige versnaperingen aan de Commissie. Ze gaven me niets en scholden me voor een leugenaar. Niemand gelooft me, al spreek ik ook nog zoo dikwijls waarheid. Iedereen heeft een hekel aan me. Nu kwam gister die ander me vragen om … dit … hier te doen.”—Snikkend ging hij verder.—„Tot vijf maal heb ik geweigerd en eindelijk heb ik toegestemd. „„Men plaagt jou,”” zeide hij, „„welnu [132]plaag ze weer. Een ander krijgt, wat hij vraagt voor eene zieke en jou wordt het geweigerd. Neem, wat ze niet geven willen.”” Nu is hij vrij en ik moet in de gevangenis.”—Eene rilling beving hem bij dit woord.—„Mijne moeder zal vast sterven, niemand ziet naar haar om. O!” Hij verborg zijn aangezicht achter zijne handen.
De kapitein, die een zeer gevoelig hart bezat, was zichtbaar aangedaan. „Wat ge zegt,” sprak hij, „verhoogt mijn medelijden. ’t Is weer het gewone verhaal van den leugenaar, die zich ergert als men hem niet gelooft, den enkelen keer als hij waarheid spreekt. De waarheidlievende alleen gelooft men op zijn woord. Wanneer ik morgen op mijn schip tegen de jongens vertel, dat de koning mijn grootvader is, dan zullen ze ’t allen voor waar aannemen. En waarom? Omdat ze weten, dat ik zulk eene ongerijmdheid, zoo min als iets anders, zal vertellen, als het niet zoo is.
„Hoe graag ik het echter voor mijn persoon nog eens zou wagen met u los te laten, mag ik het niet doen. Ik ben jegens den burgemeester, jegens de maatschappij verplicht, om u over te geven aan de politie, zooals ik trouwens reeds gedaan heb. Wel wil ik u beloven, dat ik eens naar uwe moeder zal zien. Laat het u echter eene les zijn [133]voor het vervolg en kunt ge dan hier in de streek uw goeden naam niet meer terug krijgen, kom dan bij kapitein Rondhout op de Alblasserdam en hij zal je helpen om een goed zeeman te worden.”—
De woorden van den zeeman hadden grooten indruk gemaakt ook op de andere jeugdige toehoorders. Toon noch Roelof hadden langer leedvermaak in den erbarmelijken toestand van hun ouden vijand.
„Je hebt het wel gezegd, Toon,” zei Roelof, „je weet nog wel toen we op den bolderwagen naar Heusden reden. „„Hij is zoo slecht niet als we dachten,”” zeide jij immers, toen zijne moeder met ons meereed en zooveel van hem vertelde.”
Verwonderd keek de gevangene beurtelings Toon en Roelof aan. Hoe Toon zoo iets had kunnen zeggen, was voor hem een raadsel, dezelfde Toon, dien hij altijd zóó geplaagd had.
Hij kon er zich niet lang in verdiepen, want de veldwachter nam hem mee naar de keuken. Janus werd geroepen om vuur aan te leggen en de overigen gingen weder te bed.
Zoodra het licht werd, zou Baars zijn gevangene naar Heusden brengen en daar den burgemeester raadplegen.
„Had ik u slechts eerder ontmoet, kapitein,” kreet de ongelukkige onder het heengaan. [134]
De bewoners der hooggelegen huizen, zooals ook Vrederust, mochten in de stormachtige dagen van 7 en 8 Januari van geluk spreken. Wie op zolders van meer of minder diep onder water staande woningen verblijf moesten houden, hebben toen in het overstroomde land van Heusden en Altena angstige oogenblikken doorgebracht. De steeds heviger wordende wind zweepte het water op tegen muren en daken. De vereende kracht van storm en golven verbrijzelde hier eene schutting, elders een muur en deed ginds een heel huis kraken in zijne binten en nederstorten in het schuimende nat, dat woest draaiende het losgerukte hout mede voerde, als zoovele overwinningsteekenen. De doorweekte leemen muren der arbeiderswoningen konden weinig of geen weerstand bieden aan den hevigen stroom van het wegvloeiende water en de losgerukte balken deden het dak instorten, dat menigmaal als een eiland voortdreef [135]tot het tegen boomen stootte of op hoogere punten aan den grond raakte.
Was het de eerste dagen Nieuwkuyk, dat van het losgebroken element het meest te verduren had, nu was het benedenland de plaats van verderf en vernieling. Het eerst kalm door de hulpgaten wegvloeiende water vloog nu kokend en bruisend over de lage of afgegraven dijkvakken. Het is te begrijpen, dat, zoo spoedig men van den eersten schrik der doorbraak was bekomen, alle middelen in ’t werk gesteld werden om het water weder te lossen. Hiertoe dienen de hulpgaten, die ten getale van 16 in het land van Heusden en Altena voorkomen. Het zijn verlaagde dijkvakken, die in de kleidijken met zand gevuld zijn om ze in korten tijd te kunnen openen. Ze hebben eene lengte, die afwisselt van 30 tot 150 M.; zeven zijn 100 M. lang. Zij lossen op het Oude Maasje of op de Bakkerskil en heeten dan buiten-hulpgaten. Andere gaten in grintwegen of binnendijkjes heeten binnen-hulpgaten; zoo heeft men er in den grintweg van Dussen op Werkendam alleen al 6. Deze dienen om het water uit hoogere polders naar lagere te voeren. Polders toch loozen hun water elk afzonderlijk door sluizen, maar staan onderling niet in gemeenschap. [136]Alleen hulpgaten kunnen hoogere polders van water verlossen, ten koste van de lagere. Deze gaten zijn echter, evenals die in de buitendijken, alleen daar aangelegd, waar de grond de minste waarde heeft. De hulpgaten no. 5 lossende op de Amer en no. 8 lossende op de Bakkerskil waren reeds dadelijk geopend, toen het water daar verscheen, en andere werden spoedig in werking gesteld. Die te Oud-Heusden en Doeveren in den dijk van ’t Oude Maasje konden de eerste dagen geen dienst doen, omdat het water buiten nog 1 M. hooger stond dan binnen.
Het behoeft ons nu niet te verwonderen, dat eene sterke strooming was waar te nemen van de doorbraak naar den Biesbosch in welks omtrek de meeste hulpgaten liggen. Deze trekking bemoeilijkte echter het werk der beringing, d.w.z. het leggen in een halven cirkel van een nieuw dijkvak om den doorbraak, in geene geringe mate.
We zullen echter niet verder afdwalen in bijzonderheden over de werkzaamheden tijdens de overstrooming, maar liever tot Vrederust terugkeeren. Wat echter hierboven verteld is, kunnen we straks tot goed begrip van ons verhaal, niet missen. [137]
Het duurde lang, eerdat den morgen van den 7den Januari de gasten aan de ontbijttafel verschenen. Reeds een uur hadden mevrouw en Constans zitten wachten en nog kwam niemand opdagen. Ten laatste duurde het Stans toch te lang en opstaande zeide ze, „ik zal Roel er eens uit gaan kloppen.”
„Zacht wat, op de trap,” riep hare moeder haar na.
„Wel neen moe, hoe harder hoe beter, dan worden de anderen meteen wakker.”—
Roel was spoedig door een paar bonzen op de deur gewekt. Toen hij beneden kwam, waren de kapitein met Toon juist binnen gekomen. De eerste maakte op voorzichtige wijze mevrouw bekend met het nachtelijk avontuur. Het trof hem echter, dat zij, hoewel ten hoogste verbaasd, maar weinig scheen te verschrikken.—
„O moe, als nu de kapitein er eens niet geweest was, dan waren we arm gestolen,” riep Stans uit. „Waarom heeft u Bello niet evenals anders in huis gelaten?”
„Kom, kom meid, zoo erg zou ’t niet geweest zijn. Veel geld was er niet in de kast, en wat Bello betreft, die kunnen we toch niet in Toon’s slaapkamer laten. Anders laat ik de deur van het kantoor open staan,” vervolgde de gastvrouw tot [138]den kapitein, „dan kan het beest vrij rondloopen. Nu hebben we in u echter den besten wachter gehad, dien we konden wenschen. Ik weet geen woorden te vinden om u mijne dankbaarheid te toonen.”
„Dat behoeft ook niet mevrouw. Wat ik deed zou ieder in mijn geval gedaan hebben en dank mag ik er niet voor aannemen. Integendeel, uwe gastvrijheid heeft me in de gelegenheid gesteld de dieven te verrassen, zoodat ten slotte u zelve de oorzaak is van het verijdelen van den diefstal. Heeft u een goeden waakhond, mevrouw?”—
„Een beste, mijnheer, een grooten Ulmerdog, die zijn man wel staat.”—
„O, dan behoeft u geen vrees te hebben. Trouwens, deze zullen wel niet terug komen. Ik was echter bang, dat u in ’t vervolg geen gerusten nacht meer hebben zou en tot mijne blijdschap ontdek ik, daaromtrent onbezorgd te kunnen wezen. Het doet me intusschen genoegen, dat de veldwachter en de bedienden hebben kunnen zwijgen. Is die oude knecht ook thuis? Van hem kunnen we misschien hooren, hoe laat Baars vertrokken is.”—
„Nu zal je Janus eens hooren brommen,” grinnikten de jongens en ze hadden waarlijk geen ongelijk. [139]
„Goeien morgen en smakelijk eten,” mompelde de oude, toen hij binnentrad.
„Hoe heb je het verder gemaakt van nacht, Janus?” vroeg Roelof.
„Gemaakt—hm—gewaakt hebben we, met den rakker—koffie gezet voor den diender en toen is hij in een hoek in slaap gevallen—den Rooie, bedoel ik. Opsluiten moeten ze hem—6 jaar geven.”—
„En hoe laat is Baars met hem vertrokken?” vroeg de kapitein.
„Wel, om half 8, toen ’t licht werd. We hebben hem naar ’t eiland gebracht, den Roodkop met zijn „sivieligheid,” hij zal nou z’n lange vingers branden. Thijs en de diender zullen hem wegbrengen,—naar ’t spinhuis,—daar kan die nou dievigheid uithalen. De burgemeester moet hem levenslang laten geven. Een fatsoenlijk mensch om 3 uur uit zijn bed halen en dat in den winter,—ze moeten hem hangen.”—
„Janus, ga nu eens zien of de kippen al gelegd hebben,” aldus brak mevrouw zijn woordenstroom af, „en vraag Mina of ze komt afnemen.”
Nog een uurtje blijft de kapitein bij zijne gastvrouw praten. [140]
„Hoe denk je er over, jongelui, om het dorp eens door te roeien?” vraagt hij.
„Heel graag, mijnheer,” antwoorden beide jongens en Stans, „we mogen dan zeker Piet en Hendrik van den meester ook wel aanhalen.”
„Zou het niet te hard waaien voor Stans?”—
„Er is een stevige wind, mevrouw, maar nu is er misschien nog wat te zien.”—
„Toe moe, laat me maar mee. Mijnheer is er immers bij.”—
Slechts aarzelend krijgt het meisje toestemming. Alleen het bijzijn van den zeeman stelt hare moeder eenigszins gerust. De jongens trekken hunne overjassen aan, Stans wordt warm ingepakt en weldra zitten allen in de boot. Toon neemt de riemen. Hij is er trotsch op zijne handigheid te toonen en de kapitein maakt hem er dan ook spoedig een compliment over. Heel gemakkelijk is het echter niet. Er loopt een sterke stroom en het stormt geducht. De jongelui zien geen gevaar, wat er trouwens niet is met een flinken schipper aan boord, en ze hebben veel schik in het tochtje. Ook den zeeman boeit het gezicht van wankele, half onder water staande huizen zeer. De meeste woningen hebben het reeds zwaar te verantwoorden. Van sommige zijn de muren [141]aan de oostzijde ingestort; bij andere hangt het dak aan den eenen kant diep in ’t water. Het zijn vooral de arbeidershuizen, die het meest te lijden hebben en die natuurlijk allen onbewoond zijn. Het gezelschap roeit, na de beide andere jongens te hebben afgehaald, het dorp aan den oostkant om en is spoedig aan de kleine boerderij van Dirks moeder gekomen, die ze volgens belofte zullen opzoeken.
„Hoe moeten we die ark binnen komen?” vraagt de kapitein. „Nu kunt ge uwe krachten eens toonen, Anton; er loopt hier veel stroom. Wil ik je helpen?”
„Dat behoeft niet mijnheer, ik zal het wel klaar spelen. Aan den anderen kant van het huis is de voorgevel, daar zal wel gelegenheid wezen om aan te leggen.”—
Met veel behendigheid roeide Toon tusschen de boomen door en legde voor een der beide zolderramen aan, bij een waarvan een trapje uithing. Het raam was er uit genomen en eene deur hiervoor in de plaats gebracht. Deze gaf toegang tot een portaaltje, dat van ruwe planken en een oud karpet was samengesteld. De geheele zolder diende voor woonvertrek. Deze was wel groot, maar had behalve de ruimte geene enkele verdienste. [142]
„Ben je daar, Dirk,” klonk eene zwakke stem uit een ledikant achter den schoorsteen.
„Neen, vrouw Oudkoop,” antwoordde Roelof, terwijl hij nader trad en vroeg of zij mochten binnen komen. „Ik ben het met Stans en nog een paar anderen. We komen eens zien hoe het met u gaat.” Stans ging naar de zieke en de anderen volgden haar.
„Hoe is het met u, vrouwtje?” vroeg de kapitein.
„Zwakjes, mijnheer, zwakjes en een beetje koortsig. God zegen u, voor uwe komst. Ik ben al bijna vier en twintig uur alleen. Van morgen heb ik getracht op te staan, maar ik kon het niet volbrengen.”—
„Hebt ge ook ergens trek in, vrouw Oudkoop?” vroeg Stans medelijdend.
„Drinken, mijn kind, ik heb zoo’n dorst. Ik heb niets dan water en dat is troebel.”—
„Wilt u wat thee of liever koffie? We hebben het beide meegebracht.”
„Koffie, o, als ’t u blieft,” en de blik der arme zieke verhelderde bij dat woord.
„Nu, even geduld en dan zullen we u een lekker kopje brengen,” zei het meisje. „Blijf maar gerust liggen, wacht, laat ik even uw kussen opschudden. [143]Zie zoo en nu gauw den boel wat opgeruimd.”
Terwijl de zeeman met de zieke vrouw een praatje maakte en haar wat opvroolijkte, legden Toon en Roelof de kachel aan. Deze stond aan de raamzijde van den schoorsteen, waarin door het uitbreken van een paar steenen ruimte voor de kachelpijp was gemaakt. Stans ruimde intusschen de tafel af, waschte de kopjes en had in korten tijd de plaats tusschen schoorsteen, raam en portaal een huiselijk aanzien gegeven. Dit gedeelte van den zolder was feitelijk de woonkamer, hier stonden tafel, stoelen, kachel en wat er verder in noodig was. Langs het dak en aan de achterzijde vonden verschillende dingen eene plaats, die op elken boerenzolder te vinden zijn: maten, tonnen, zakken, eene weegschaal, een paar oude koperen kannen, een paar zeven enz.
Het duurde niet lang of het water kookte. Verlangend snoof de zieke den geur der koffie op en heerlijk smaakte haar het kopje, dat het lieve meisje haar bracht. Ook de koekjes, die Stans op het schoteltje gelegd had, schenen haar wel te smaken.
Stans pakte nu verder het mandje uit, dat op aanwijzing van den kapitein uit diens voorraad [144]was gevuld. De zakken met thee, koffie en suiker, het busje melk en tal van andere zaken waren voor de weduwe een heele schat. Van het meegebrachte vleesch zette de kleine keukenmeid een gedeelte in een pannetje op de kachel om er bouillon van te trekken. Allen hadden er schik in om de zieke vrouw zooveel mogelijk te gerieven.
„Hebt ge niet eene kennis of vriendin, die u kan komen oppassen?” vroeg de zeeman.
„Dat behoeft niet, mijnheer, mijn jongen past me goed op. Waar hij toch mag zitten. Die goeie Dirk. Hij tracht zeker wat te verdienen om mij eene versnapering te verschaffen. Kwam hij maar thuis. Als hem maar geen ongeluk is overkomen.”—
„Stel u daaromtrent maar gerust,” hernam de kapitein. „We hebben hem pas nog gezien, maar nu moeten we noodig vertrekken. Dag vrouw Oudkoop, beterschap hoor. Morgen komen we u nog eens bezoeken. We moeten dus niemand zenden?”
„Neen heusch niet mijnheer, ik kan me nog wel wat redden. Dag mijnheer, dankbaar hoor, ten hoogste dankbaar, God zegene u. Dag kinderen, dankje wel, dat je een oud mensch helpt.”—
„Dag vrouw Oudkoop, beterschap.”— [145]
Vlug zijn allen het portaaltje door, de trap af en de boot in. Nu de vrouw over haar zoon begint te spreken, hebben allen evenveel haast.
„Ik wist waarachtig niet wat te antwoorden, toen het mensch over haar lieven jongen begon,” zei de kapitein. „Ze moest eens weten, waar hij nu is; ik geloof, ze zou ’t besterven.”
„We dienen haar langzaam voor te bereiden en het dan zeggen,” zei Stans. „Ze moet het toch eens weten en ’t is beter, dat wij het haar vertellen, dan dat een ander het doet.”
„Dat is zoo,” hernam de kapitein, „als ik het dan maar niet behoef te doen. Zulke zaakjes laat ik liever een ander opknappen. Misschien weet uwe mama er wel raad op.”
Het duurde niet lang of het gezelschap landde behouden en wel aan de burgemeesterswoning, trots wind en stroom, die vooral op ’t laatst schenen samen te spannen om het te beletten.
In spanning wachtte mevrouw hare gasten op. Een zucht ging haar van het hart, toen ze de boot naderen zag. Ze had de koffietafel klaar. Toen allen aan tafel zaten, haalde ze een brief te voorschijn.
„Een brief van pa,” riep Stans, „ik zie het aan de enveloppe. Mag ik hem lezen moe?” [146]
„Ik zal u wel zeggen wat er in staat. Vanmiddag of van avond komt pa thuis.”—
„Hoera! Pa komt thuis,” riepen beide kinderen verheugd. „Hoe lang blijft hij?”—
„Tot morgen of overmorgen, dat wist hij nog niet. Hij komt met de commissieboot mee. Het verheugt me zeer, dat mijn man het genoegen zal hebben, met u kennis te maken, mijnheer Rondhout!”—
„In dat geval is het genoegen wederkeerig,” antwoordde de kapitein, „u zal wel blijde zijn, evenals de kinderen. Hoelang is mijnheer reeds afwezig?”
„Met Kerstmis is hij voor ’t laatst thuis geweest, het is dus nog niet lang geleden. Door al de gebeurtenissen schijnt het echter wel maanden.”—
„Ik ben nieuwsgierig, hoe het met het werk van de beringing staat,” sprak Roelof. „Pa weet er alles van, misschien is hij er gister pas geweest.”
„Ik ook,” zei Toon, „ik zou nog wel eens een kijkje te Nieuwkuyk willen nemen.”
„Ik ook, jongen,” zei de kapitein. „Wanneer mij tijd overschiet, zal ik er stellig nog heen gaan, eer ik weer den grooten plas ga bevaren. Hoe denken de jongens erover om eens op het eiland te gaan zien? Goed? Nu, dan moesten we maar vertrekken.” [147]
„U komt den avond bij ons doorbrengen, niet waar, kapitein? Breng Thijs ook mee, als hij tijd heeft, Toon.”
„Heel graag, mevrouw. We zullen tegen donker weerkomen, dan kan mijnheer eerst wat uitrusten van de vermoeienissen. ’t Is een heele reis met dit stormweer.”—
„Dat is het wel. Ik hoop maar, dat ze geen ongeluk krijgen. Er loopt immers zoo’n hevigen stroom?”—
„Kom, kom, mevrouw. Thijs is een goed zeeman en als hij op overstroomde polders zoo goed bevaren is als zijn kleinzoon, zal hem niet licht iets overkomen.”—
Al sprekende geleidt mevrouw het drietal naar buiten, waar ze na hun vertrek nog geruimen tijd blijft turen over het water, of ze in de verte ook eene boot ziet naderen. De bezorgde echtgenoote wacht niet te vergeefs. Aan den gezichtseinder vertoont zich een stip, die na eenige minuten de commissieboot blijkt te zijn met den burgemeester aan boord.
Deze is hartelijk blijde, vrouw en kinderen, huis en erf weder te zien. Roelof had zich met de bakken van de pastorie weder terug laten brengen, zoodra hij de boot uit Heusden [148]had bemerkt, zoodat het geheele gezin bijeen was. Voor het eerst na de doorbraak gebruikte hij weder thuis het middagmaal. Het speet hem alleen, dat de kapitein niet tegenwoordig was; deze had beslist geweigerd om aan den maaltijd deel te nemen. „In de eerste plaats zou de burgemeester liever alleen zijn in zijn familiekring,” aldus redeneerde hij, „en in de tweede plaats verlangde hij naar het bijzijn van zijn ouden vriend Thijs.”
De burgemeester had de geschiedenis van de inbraak van den veldwachter vernomen. Dirk was voorloopig te Heusden in verzekerde bewaring gebracht en zou ’s middags naar ’s Hertogenbosch vervoerd worden. Hij was vreeselijk ter neer geslagen en een beeld der wanhoop gelijk. Hij had honderd maal vergiffenis en beterschap beloofd. „Als het feit niet te ernstig geweest ware, had ik hem weer meegebracht,” zei de heer Van den Oever. „Nu echter moest ik het recht zijn loop laten en we kunnen alleen zijn moeders lot dragelijk trachten te maken.”
De avond ging op Vrederust zeer genoeglijk voorbij. Toon wachtte er nog eene verrassing.
„Ik moet u eene boodschap overbrengen, Anton, van een mijnheer uit Den Bosch.”— [149]
„Aan mij, mijnheer, ik ken niemand in die stad.”—
„De mijnheer, van wien ik spreek, kent u ook niet persoonlijk, maar hij heeft gehoord van uwe moedige daad te Nieuwkuyk. Ik moet u namens Zijn Excellentie den Commissaris des Konings de betuiging zijner tevredenheid overbrengen over uw moedig gedrag op den 30sten December. Reeds den volgenden dag woonde Zijne Excellentie onze vergadering bij, vergezeld van twee hoofdingenieurs. Zooals gij allen misschien reeds weet, werd, als gevolg van het op die en de vorige vergadering genomen besluit, reeds drie dagen na de doorbraak begonnen aan het werk van beringing. Eerst is in het water eene kade gelegd van rijshout en steenen aan de buitenzijde van den dijk. Daarbinnen wordt in een halven cirkel de nieuwe dijk opgeworpen. Nu het water vallende is, zal het werk beter gaan vlotten. Tot nu toe is het dijkbestuur niet erg voorspoedig geweest met het werk, dat het zelve wil verrichten. Er zijn tal van schier onoverkomelijke bezwaren, waarmede wij te kampen hebben gehad. Alleen de aanvoer van materiaal ging vrij gemakkelijk, de schuiten met steenen en rijshout werden door eene stoomboot over het Bossche Veld naar den doorbraak [150]gevoerd. Met een lager waterstand zal dit moeilijker gaan. Als de werkzaamheden zoo voortgaan, ligt de dijk de eerste maanden nog niet en nu reeds komen van verschillende kanten klachten over den weinigen voortgang.
„De menschen, die door jou gered zijn, Anton, hebben een onderkomen gevonden op den konijnenberg. In een gat in den grond, waarvan de wanden met dennentakken bekleed zijn en takken met stroo het nauwelijks waterdichte dak vormen, zijn moeder en kinderen gehuisvest. ’s Nachts slapen allen met nog vele anderen in de tenten van het garnizoen van Den Bosch en overdag warmen zij zich bij het vuur in het hol. Vele menschen leven op die manier. Hout groeit er op den heuvel genoeg en daarvan zijn ook noodstallen opgericht voor het geredde vee. Ge kunt begrijpen, hoe treurig het er uitziet. Als de vorst invalt is de ellende niet te overzien. Gelukkig, dat het detachement infanterie alles doet om hulp en bijstand te verschaffen.”—
„De huizen zijn nabij den doorbraak zeker allen onbruikbaar?” vroeg de kapitein.
„Zoo goed als allen, mijnheer. De bewoners hebben elders een onderkomen moeten zoeken. Een deel ervan worden liefderijk verpleegd in ’s Hertogenbosch [151]en andere naburige plaatsen, die van het water gespaard bleven.
„Anderen bivakkeeren behalve op den nu dichtbevolkten Konijnenberg, in de tenten van het leger op het drooggebleven kerkhof, op den dijk en op het naburige fort aan de Hedikhuizensche Sassluis.”—
We behoeven den avond niet verder te beschrijven om te weten, dat hij prettig en aangenaam werd doorgebracht. Behalve Thijs, kwam ook de heer Den Bosch een bezoek brengen op Vrederust en eerst bij twaalven ging het gezelschap uiteen. De kapitein en Toon bleven er weder logeeren, doch hadden nu een rustigen nacht, en werden niet meer door inbrekers gestoord. [152]
Het is stil geworden op Vrederust. De heer Van den Oever is gister met den kapitein naar Heusden vertrokken. Met leede oogen zagen de jongens beiden weggaan. Den vorigen dag hebben allen nog een bezoek gebracht aan Dirks moeder. Mevrouw was ook medegegaan en voorzichtig had deze de arme moeder in kennis gesteld met het tegenwoordige verblijf van haar zoon. De burgemeester had beloofd alles in ’t werk te zullen stellen om Dirks straftijd te verkorten. Vrouw Oudkoop was ontroostbaar over het ongeluk en verweet zich zoo zwak te zijn geweest jegens haar eenig kind. Hij had een meegaand karakter, zeide ze, maar slecht was hij heusch niet. Alleen liet hij zich spoedig door iemand inpalmen en dat was zijn ongeluk. Van gezelschap en oppassing wilde ze nu heelemaal niet hooren. Ze kon de blikken van nieuwsgierige dorpelingen niet verdragen en wilde liever alleen zijn, dan over haar [153]zoon te hooren spreken. Wanneer de jongens een enkelen keer bij haar kwamen, zou ze er hoogst dankbaar voor wezen, maar anders had ze liever niemand bij zich.
Deze gevoelden zich nu eenzaam na het vertrek van den reeds beminden zeeman. Roelof en Toon waren steeds samen. Hunne makkers Piet en Hendrik moesten voortdurend thuis blijven om hunne moeder te helpen en op te passen. Deze was ook ziek geworden en nu moesten de jongens bij gebrek aan vrouwelijke hulp het huishouden doen.
Niet wetende wat te doen, lieten de beide knapen zich met de bakken overzetten naar de pastorie. Daar gekomen, vroegen zij het primitieve vaartuig een uurtje te mogen gebruiken. Dit werd hun gereedelijk toegestaan, daar er toch nog een bootje aanwezig was voor wie er gebruik van wilde maken. Ze vormden nu het plan om vrouw Oudkoop een bezoek te brengen en haar zoo noodig met een en ander te helpen. Anton wilde eerst nog een tweeden stok gaan halen, want dien ze hadden scheen niet sterk te zijn. Roelof vond het echter minder noodig. Op de pastorie was waarschijnlijk geen lang stuk hout te vinden en ze konden immers om beurten het vlot voortduwen. De tocht ging aanvankelijk vrij voorspoedig, [154]tenminste voor zoo ver dat mogelijk is in een vlot van twee voerbakken met twee korte balken er onder en een drooglat tot riem. Ze stuurden aan de westzijde het dorp om. Nauwelijks waren ze een eindje op de vlakte, of het kostte door den hevigen stroom heel wat moeite om de bakken in de goede richting te houden. Met een boot voelde men de kracht van het water niet zoo erg als nu op het vlot, anders waren de jongens gewis niet met één stok op reis gegaan. Daarbij kwam, dat een dichte mist het water bedekte, die op het vlakke veld ondoordringbaar scheen. Nog niet lang waren ze op weg of de droogstok brak en de jongens waren aan de willekeur van het water overgeleverd. Ze hadden er door den nevel geen erg in gehad, dat ze reeds een eind van het dorp waren afgedreven. Nu ze hulpeloos rondzwalkten, zagen beiden spoedig het gevaar, waarin ze verkeerden. Roepen baatte niets, hoezeer ze hunne kelen inspanden en niemand kon hen zien. Ze waren zeker al een heel stuk afgedwaald en zelfs al had men hun geroep gehoord, stond het nog te bezien of er eene boot bij de hand was om hen terug te halen. Hoe het ook zij, er kwam niemand en de jongens hielden op met hun noodeloos geschreeuw, om te beraadslagen, wat [155]hun te doen stond. Hunne hoop was nog op een ding gevestigd, namelijk, dat ze de boomen langs den weg zouden kunnen grijpen om daarlangs met behulp van een paar afgesneden takken terug te keeren. Op het veld was dit onmogelijk, want daar stond te veel water om met korte latten grond te kunnen bereiken. Fortuin was hun echter niet gunstig. Op eene plaats, waar een paar boomen ontbraken, staken ze onwillens en onmachtig het te voorkomen den weg over en dreven al verder en verder de wijde watervlakte op, waar zelfs bij helder weder huis noch boom te zien zou zijn geweest. Moedeloos hurkten de arme jongens elk in een bak op den bodem van het lekkende vaartuig. Ze zetten de kragen op om zich voor den guren wind en den natten mist te beschutten. Waren ze jonger en minder flink geweest, ze zouden zeker in schreien uitgebarsten zijn. Nu teekende de doffe, starende blik genoeg hunne wanhoop.
„Zouden de bakken het uithouden,” aldus verbrak Roelof de drukkende stilte. „Verbeeld je, dat we hier eens zinken, er staat wel twee meter water. Had ik maar niet zoo onvoorzichtig geweest en naar jou raad geluisterd. Met nog een stok waren we gered.”
„De bakken zullen het wel uithouden,” zoo stelde [156]Toon zijn makker gerust. „Ze lekken niet noemenswaard en bovendien liggen er een paar dikke balken onder. In het ongunstigste geval zullen we tot onze knieën in ’t water staan. Het ergste is, dat we voorbij geen enkel huis komen. De stroom gaat in de richting van de hulpgaten nabij Dussen in den Almkerkschen weg. Deze zal wel een eind onder staan, maar verreweg het meeste water vloeit door de vier hulpgaten nabij eerstgenoemd dorp. Ook trekt het water naar de Bakkerskil, zoodat naar mijne berekening wij juist tusschen Meeuwen en Babeloniënbroek door drijven en misschien aan den Dussenschen dijk uit zullen komen. We vorderen echter langzaam hier op de vlakte en hebben uren en uren voor den boeg. Waarschijnlijk zijn we den heelen nacht op dit wrak. Als we ergens landen, zullen we minstens verstijfd, misschien bezwijmd aankomen.”
Eene rilling loopt de beide jongens door de leden. Het vooruitzicht is zoo donker mogelijk. Verbeeld u met een paar aan elkaar gespijkerde, lekke bakken meegesleurd te worden over diep onder water staande velden, met het vooruitzicht er den heelen nacht in nevel en koude op door te brengen, zonder eenige beschutting, dan die hunner kleeren. [157]
Eene heele poos zwijgen beiden onder den indruk van Toon’s voorspelling. Ze zijn troosteloos. Nu en dan kijken zij even omhoog, maar niets treft hun oog dan nevel en nevel. Zelfs geen struik steekt boven de eindelooze zee uit.
Geruimen tijd zitten de ongelukkigen weder stil. Het water dringt steeds meer in het vaartuig. Druppel voor druppel komt het binnen, maar langzaam gaat zeker en de jongens zitten reeds tot de enkels in het nat. Eindelijk rijst Toon vermoeid op en rekt zich de stijve leden.
„Hoe laat is het Roel?”—
„’t Is bij vieren, aanstonds wordt het donker.”—
„Zou er ook maanlicht zijn?” vraagt Toon weer.
„Ja, zeker het is volle maan of ’t scheelt niet veel!” roept Roelof uit, terwijl hij bijna verheugd opspringt. „Gelukkig, want nu zal de mist wel spoedig optrekken en dan kunnen we tenminste zien.”
„’t Mocht wat,” bromde Toon. „Licht of donker, we moeten maar willoos voortdrijven met geen ander vooruitzicht dan den nacht in de bakken door te brengen. Ik word er koud van, als ik me den toestand goed indenk. Hu!”
„Er valt ons niets te doen dan te berusten en.… moed te houden. Ik ben tenminste nog liever hier, dan in het lands-logement van den Rooie.”— [158]
„Wat een wonder!” zegt Toon. „Ik wou dat de ongelukkige stakker hier was.”
„Ik niet hoor. Dat gezelschap is me niet bijzonder aangenaam. Wie weet, wat kool hij ons zou trachten te stoven.”
„De Rooie is zoo slecht niet als we wel denken,” herneemt Toon, wien het gevaar zeer verzachtend stemt jegens zijn aartsvijand. „Ik geloof eer, dat hij bedorven is door zijne moeder, die hem in alles zijn zin heeft gegeven. Van haar houdt hij veel, dat is zeker. Ik hoop, dat het geval van voor drie dagen hem eens genezen zal. Weet je, wat we doen moesten Roel! We zullen hem bij zijne terugkomst niet hard vallen en trachten zijn vertrouwen te winnen. Als hij ziet, dat we ’t goed meenen, sluit hij zich misschien wat bij ons aan.”
„Ik vind het plan heel aardig,” zegt de ander, „maar ik heb weinig lust me met een dief af te geven.”
„Als we er zóó over denken,” antwoordt Toon, „handelen we evenals de heele wereld doen zal, en er schiet voor Dirk niets over dan het gezelschap te zoeken van zulke personen, als zijn verleider voor den diefstal. Gerust Roel, we moesten hem wat helpen, al is het dan maar voor zijne [159]arme moeder. We behoeven daarom zijn makker nog niet te worden. Wat ons te doen staat, zullen we over laten aan de omstandigheden. Kom Roel, geef me je hand erop, dat je mee doet. Je pa en je moe zullen ons stellig behulpzaam zijn en je zusje ook.”
„Je bent een beste jongen Toon. Hier is mijn hand. Ik ben je man hoor!”—
Zoo werd op het water door de jongens, die zelve in groot gevaar verkeerden, een edel verbond gesloten om een rampzalig mensch op den goeden weg te brengen, om een vijand te vergeven. En de opkomende maan wierp hare bleeke stralen over het tweetal, als wilde zij hun edel voornemen bezegelen.
„De maan is er!” riepen beiden plotseling uit.
Zelden werd de nachtvorstin met zooveel vreugde begroet als door de beide knapen. Met verlangen wierpen zij hunne blikken nu onbelemmerd in ’t rond. De maan had het mistkleed opgetrokken en in de verte ontdekten ze bij het zwakke licht eene donkere stip aan den westelijken horizon.
„Zeker een groepje boomen,” zei Toon, „we drijven er rechtstreeks op aan.”
„Neen!” roept Roel met blijdschap uit, „neen ’t zijn geen boomen. ’t Is de Hengmensche molen. [160]Dat we daar niet aan gedacht hebben, de molen ligt juist in onze richting.”
In de grootste spanning brachten de jongens de daarop volgende oogenblikken door. Zouden ze den molen kunnen bereiken of tenminste den grooten boom rechts ervan of zou de stroom hen er dicht langs voeren, zonder dat ze hem konden naderen?
De donkere groep deed zich werkelijk kennen als de bedoelde molen met den alleenstaanden boom er bij. De bakken dreven langzaam voort juist in de goede richting. Duidelijk konden ze weldra de wieken onderscheiden, waarvan een geheel was afgebroken en eene andere ongeveer half. Het luik boven in stond open en een eind touw hing er uit naar beneden.
Een kreet van vreugde ontsnapte beiden knapen, toen Anton voorovergebogen een tak van den boom had vastgegrepen. Met vereende krachten gaven ze nu hun vaartuig een fikschen duw, zoodat het tegen den molen aandreef. Hier werd het aan een der balken achteraan vastgemaakt met een touw, dat Anton in zijn zak had. Terwijl Roelof voor alle zekerheid het vlot stevig vasthield, klom zijn makker als een kat tegen de balken op. Hij nam het touw in de hand en [161]met behulp van dit was hij in een oogenblik naar boven geklauterd en door het kleine venster gekropen.
„Voorzichtig!” riep Roelof hem toe. „Verzet geen voet, eer ge steun hebt. Je kunt gemakkelijk door een luik naar beneden vallen.”
„Steun heb ik al,” klonk het van boven. „Maar ik kan geen hand voor oogen zien. ’t Is hier binnen stik donker. Hebt ge soms lucifers?”—
„Ja, nog een vol doosje.”—
„Goddank, kom nu maar vlug omhoog.”—
Dit was echter gemakkelijker gezegd dan gedaan. Het houtwerk was nat en glad van den mist en Roelof muntte niet uit in klimmen, zooals Toon. Toen hij op den rand van een der bakken ging staan om zich naar boven te werken, tapte hij het touw stuk en terwijl hij tot de knieën in ’t water gleed, dreef het vaartuig langzaam af. Daar zat hij nu en goede raad was duur. Met moeite klemde hij zich vast. Gelukkig was zijn makker beter klauteraar dan hij. In een oogenblik was deze bij hem en bond zijn zakdoek stevig om den balk. Hieraan had Roelof steun en toen Toon den zakdoek van zijn kameraad nog eens hooger vastgemaakt had, kwam de eerste eindelijk aan het touw. Hierdoor gesteund [162]kwam hij ten slotte bovenaan en klom, geholpen door Anton, het luik binnen. De lucifers waren gelukkig droog gebleven. De jongens maakten licht en zagen nu dicht bij hunne voeten in eene opening van den zolder eene ladder staan. Deze klommen ze af en nu waren ze op een ruimeren zolder dan boven, waar ze telkens gevaar liepen zich het hoofd te stooten tegen de as van den molen en andere zware balken. Ook hier vonden ze een trapgat, maar bij het licht van een lucifer bemerkten zij, dat de daarop volgende zolder onder water stond.
„Hier dienen we ons in te richten,” sprak Anton. „Als ik me niet vergis liggen op dezen zolder verscheidene voorwerpen, die ons van grooten dienst kunnen zijn.”
„Ja, dat dient wel,” antwoordde Roelof. „De bakken zijn afgedreven en we moeten wel blijven tot we verlost worden. We hebben nu veel van Robinson Crusoë op het afgelegen eiland; alleen zullen hier wel geen wilden komen.”
„Is het vlot dan weg?” vroeg Toon verschrikt.
„Ja, ik heb het touw losgetrapt en had genoeg te doen om me zelve vast te houden.”—
„Dan kunnen we niet beter doen, dan geduldig wachten. We loopen geen gevaar van verdrinken [163]en eer we verhongeren zal wel eene boot voorbij komen. Het eerste, wat ons te doen staat, is een stok zoeken en hem met een zakdoek er aan bij wijze van eene vlag op den molen plaatsen. Steek eens een lucifer aan, dan zullen we zien, wat er te vinden is.”—
De jongens waren niet ongelukkig. De watermolenaar had zijn huisraad op deze verdieping in veiligheid gebracht. Zooals wel meer gebeurt, woonde de molenaar met zijn gezin in het dorp. Daar hij echter bij hoogen waterstand in den polder dagen lang en soms nachten in den molen moest wezen, had hij eenige onmisbare voorwerpen bij zich, die nu hier opgeborgen waren. Het eerste, wat ze vonden, was eene lantaarn. Ze schommelden er mede; er was warempel olie in. De lantaarn werd allereerst aangestoken en nu ging het zoeken in den rommelhoop gemakkelijker. Eene flesch halfvol met petroleum werd voorzichtig in een hoek gezet. Daarna haalden zij eene oude potkachel te voorschijn met een paar stukken pijp. Vervolgens wat bossen stroo, eene bijl, eene zaag en twee half versleten dekens. Gij kunt u voorstellen met welk eene vreugde deze voorwerpen begroet werden door de verkleumde jongens, wier beenen tot aan de knieën nat, en ijskoud waren. De kachel, hoe [164]roestig en oud ook, was gelukkig compleet en er was zelfs een elleboog bij. Nu was er in het rieten dak van den molen een raampje met één ruit. Deze werd stuk geslagen en de kachelpijp zoo goed en zoo kwaad het ging er doorgestoken. Toen de kachel nu stond, ruimden ze eerst alle brandbare voorwerpen op en begonnen daarna uit alle macht blokjes hout te zagen en te hakken van eindjes balken en planken, die er in overvloed te vinden waren. Met behulp van een bosje stroo werd er vuur gemaakt en spoedig brandde de kachel, dat het een lust was. Toon klom naar boven om te zien of er ook brandgevaar was. Zijn onderzoek was zeer bevredigend. De pijp stak een heel eind buiten het dak, dat trouwens doornat was en bijgevolg niet ontvlambaar. Het luikje, waardoor de pijp stak, was van ijzer en leverde dus evenmin gevaar op. Nu was het eerste werk eene seinvlag te plaatsen bovenop den molen en toen dit was gebeurd met behulp van een stok en Roelofs zakdoek, konden de afgetobde jongens eindelijk rust nemen. Het luik boven en dat op den zolder, waar ze verbleven, werd met planken toegemaakt en weldra verspreidde zich eene weldadige warmte over de ruimte. Eer ze echter voor goed hun gemak [165]konden nemen, moest er nog een en ander werk verricht worden. Bij een tweeden ontdekkingstocht, vonden ze een tonnetje halfvol steenkool. Die kwam goed te pas, daar de houtblokken onrustbarend veel vlam gaven.
Van het stroo en de dekens werd in een hoek een leger gespreid. Toen dit gebeurd was, ruimden de jongens nog eens alles op om te zien of er nog iets van hunne gading was. De verschillende vondsten hadden hun moed gegeven en opgeruimd en blij door den betrekkelijk gunstigen afloop deden ze hun werk, onder druk gesprek over het avontuur en over hun gezellig kamertje. Het was een geluk voor de jongens, dat de molenaar door den haast alles had moeten achterlaten. Uit de wild op elkaar geworpen hoop haalden ze nog iets anders dan brandstof. Roelof vond bij het zwakke licht van den lantaarn een ijzeren pot zonder oor en Anton een zakje aardappelen en in een kistje, met een verroest mes, eene vork, en een stukje vet spek. Met gejuich werd alles begroet. Anton ging naar beneden om water te halen en Roelof schilde onderwijl eenige handenvol aardappelen.
„Hadden we nu maar zout,” zei de eerste, „dat is in ieder geval smakelijker; hoewel, ik zal ze [166]toch wel lusten, want ik rammel van honger.”
„Geen nood,” zei Anton, „laat mij maar begaan, en ik maak een maal klaar zoo lekker, dat we er van smullen.”
Toen eindelijk de pot met aardappels kookte, goot de jonge kok het water er af en sneed reepjes spek, waarmede hij ze verder opstoofde. Een lekkere geur van warm eten prikkelden de reukorganen der uitgehongerde jongens. De pot deed dienst voor bord en schotel beide en stond op een tonnetje. Toon en Roelof zaten er om heen, de een op een vaatje, de ander op een boomstronk. Zij smulden van het eten en aten alles schoon op, doch toen waren ze ook verzadigd. Nu eerst dachten ze eraan, dat het water hun nog in de schoenen stond. Terwijl zij rustig om de gloeiende kachel zaten, trokken ze kousen en schoenen uit, hingen de eerste te drogen en zetten de andere op den voet der kachel. Na alle moeite en gevaar gevoelden ze zich nu welbehagelijk te moede. Ze dachten weinig aan den onrust, waaraan ze thuis ten prooi zouden zijn. Roelof bracht dit onderwerp nog even ter sprake, doch hem werd spoedig door zijn kameraad het zwijgen opgelegd. „We hebben genoeg met ons zelven te doen gehad,” zeide deze, „om ons nog te vermoeien met de ongerustheid van [167]anderen. Grootvader zal ons morgen ochtend stellig zoeken en men zal wel begrijpen, dat we niet verongelukt zijn.” Geruimen tijd bleven ze nog bij de helder brandende kachel zitten. Eindelijk doofde het vuur, ze bliezen de lantaarn uit en kropen onbezorgd onder de dekens op hun strooleger.
Zoo gemakkelijk als Toon er over redeneerde, dachten ze te Eethen niet over het verdwijnen der beide jongens. Ongeveer etenstijd, om half 5, kwam er van Vrederust eene boodschap op het eiland, of Roelof er nog was. Roelof en Anton waren samen naar de pastorie, maar daar ook Thijs nog niet thuis was, dacht niemand er meer over. Een uur later kwam mevrouw zelve en de jongens niet op het eiland vindende, maakte zij zich ernstig ongerust. Thijs, die inmiddels thuis gekomen was, verborg zijne eigen vrees en trachtte de burgemeestersvrouw gerust te stellen.
„Ze zijn bepaald weder op de pastorie teruggekeerd,” merkte hij op, toen men hem vertelde, dat de jongens vandaar met de bakken vertrokken waren.
Spoedig was een bode daarheen gestuurd. Deze kwam terug met de tijding, dat de jongens noch de bakken sedert het begin van den middag daar gezien waren. [168]
„Misschien zijn ze wel naar vrouw Oudkoop gevaren. Het mensch is zeker erger geworden en nu zullen Roelof en Anton haar wat helpen en gezelschap houden. Wacht, ik roei er zelf even heen,” zei de oude.
Thijs vond het bij vrouw Oudkoop donker en koud. De weduwe lag hulpeloos te bed en rilde van de koorts. Van de jongens was geen spoor te vinden. De veerman bezat een medelijdend hart. Nu echter maakte zijne eigen ongerustheid hem ongevoelig voor een anders leed. De oude man gunde zich geen oogenblik om de zieke een vertroostend woord toe te spreken en roeide snel terug met eene flauwe hoop, dat de jongens inmiddels weergekeerd zouden zijn. Hij vond ze natuurlijk niet. Mevrouw Van den Oever was doodelijk ontsteld en liep handenwringend rond. Ook Thijs kon zich niet langer goed houden. Groote tranen biggelden hem over de wangen. Beiden verdiepten zich in gissingen en stelden zich het ergste voor. Hopeloos begaven zij zich naar den meester of die misschien raad wist te schaffen. Deze liet beiden eerst bedaard uitspreken, greep vervolgens zijn pet en jas en vroeg Thijs hem over te zetten naar de pastorie. „Zet voor mevrouw een sterk kop koffie, dat doet de zenuwen wat bedaren,” [169]zeide hij tot zijne vrouw. „Ik zie nog volstrekt geen gevaar. Ze zullen door den mist afgedreven zijn en nu den terugweg niet kunnen vinden. De bakken zijn sterk en van omslaan is met die dingen geen sprake. Stel u dus gerust. Hoogstens zijn ze wat verkleumd van de kou. Ik zal op de pastorie eens gaan hooren. Toon en Roelof zijn sterke en vlugge jongens, die zich wel zullen redden. Al kwamen ze den heelen nacht niet terecht, dan bestond er nog geene ernstige reden tot ongerustheid.”
De meester had spoedig voldoende gegevens verzameld om eene gevolgtrekking te kunnen maken. Hij had alle bewoners van de pastorie gesproken, die hem iets omtrent de jongens konden vertellen en zelfs op het geringste acht geslagen. Hij wist nu, dat ze op weg waren gegaan naar vrouw Oudkoop, dat ze Westwaarts omgevaren waren, juist waar de grondslag zeer laag was en dat slechts één stok in de bakken lag. Een kleine jongen vertelde, dat Toon een tweede stuk hout had willen zoeken, doch dat Roelof één voldoende vond, en een grootere knaap deelde mede, dat de droogstok dien morgen bij het over zetten half door gebroken was.
Met deze kennis toegerust keerde de heer [170]Den Bosch huiswaarts en gaf aan de angstige moeder zijne zienswijze ten beste.
„Terwijl de jongens het dorp om voeren,” aldus onderstelde hij, „zullen ze op de lage weiden veel moeite gehad hebben om met de bakken tegen den stroom in te komen. Deze is op dat punt zeer sterk, de stok is bij hunne pogingen gebroken en toen zijn ze met den stroom westwaarts afgedreven. Door den mist zijn ze door niemand gezien en waarschijnlijk waren ze te ver van de huizen, dat hun roepen gehoord is.”
„Dan zullen we zoeken, zoolang we ze hebben,” zeide Thijs.
„Dat zal noodelooze moeite wezen,” merkte de meester op. „Daar ze minstens 5 of 6 uur op weg zijn, bevinden ze zich waarschijnlijk al in den Dussenschenpolder. Het kan ook, dat ze onderweg opgepikt zijn en mede genomen naar Meeuwen, Babeloniënbroek of Dussen, en dan worden ze stellig niet vóór morgen thuis gebracht. Neen, het zoeken kan niet anders dan vruchteloos wezen. Het eenige, wat we kunnen doen, is nog eens het dorp om varen en vragen aan de menschen, die er wonen, of ze ook iets hebben gehoord. We moeten echter voortmaken, ’t is al over negenen. Willen we u eerst thuis brengen, [171]mevrouw Van den Oever? Mijne vrouw zal u straks, als ik weder thuis ben, gezelschap komen houden en kan desnoods vannacht bij u blijven.”
Dit voorstel werd in dank aanvaard en mijnheer Den Bosch met Thijs gingen op weg om nadere gegevens te verzamelen. Bij twee huizen kwamen ze aan, waar men niets gehoord had. Een man echter, dien ze uit het bed klopten, riep hun toe, dat hij vroeg in den middag om hulp had hooren roepen. „Help, help,” werd er geschreeuwd, „we drijven af!” Hij had er geen acht op geslagen, omdat kwajongens wel eens meer die grap uithaalden; bovendien had hij geene boot bij de hand om te onderzoeken, wat er waar was van het hulpgeroep.
De meester wist nu genoeg. Zijne onderstelling bleek steekhoudend. Met moeite wist hij den ouden man te bewegen naar huis te varen om morgen bij het krieken van den dag den onderzoekingstocht voort te zetten.
De bewoners van het eiland en van Vrederust gingen een treurigen nacht tegemoet. De meester bracht zijne pas herstelde vrouw naar het huis van den burgemeester en keerde zelve met Thijs huiswaarts. Geen van allen deed een oog toe. De meester zelve, hoezeer hij de anderen ook moed insprak, was [172]niet gerust. De vrouwen gingen den heelen nacht niet te bed en toen Thijs, thuis geen rust kunnende vinden, te middernacht nog eens naar Vrederust roeide, vond hij de dames schreiende bijeen zitten.
Wij laten het drietal verder alleen in hun verdriet en keeren tot de schipbreukelingen op den molen terug.
De ongewone omgeving en het stekelige stroo, dat voor matras diende, deden de jongens reeds vroeg ontwaken. Een half uurtje bleven ze zich koesteren onder de dekens. Toen het eerste licht door het kleine dakvenster scheen, stonden zij op. Het was nog voor achten. Hun eerste werk was de kachel aan te maken. Deze brandde weder lustig op. Vervolgens klom Anton met de ijzeren pot naar beneden om water te scheppen. Hij waschte zich frisch en gebruikte zijn zakdoek om zich af te drogen. Zijn kameraad deed hetzelfde. Daarna werd de pot omgewasschen en half vol water op de kachel gezet. Bij het daglicht konden zij hun onderzoekingstocht voortzetten. Alles ruimden ze nog eens van den eenen naar den anderen hoek, hopende, nog wat mondvoorraad te vinden. „Als we niets vinden, doen we ons maal weer met aardappelen en spek,” zeide Anton. [173]
„Wacht eens,” antwoordde Roelof, „ik heb nog wat. In mijn binnenzak, geloof ik, zit nog eene scheepsbeschuit. Warempel, hier is ze.” Hoe de jongens ook zochten, ze vonden geen eten meer; alleen ontdekten ze in een kistje met spijkers en allerlei vreemdsoortige artikelen, nog een busje met gemalen koffie. Of ze hiermede in hun schik waren. De koffie werd in het kokende water geworpen, de pot van het vuur genomen en op het blad van de kachel gezet om te trekken. Een heerlijke lucht vervulde den molenzolder. Anton wist nog een gescheurd kopje op te schommelen en hiermede schepten ze om beurten van den verkwikkenden drank. Hun ontbijt bestond uit eene scheepsbeschuit met de laatste helft van het spek. Nu hadden ze niets meer over dan een handjevol aardappelen, doch dat was niets. Ze zouden dien dag wel gered worden, meenden zij. Die hoop werd echter minder levendig, toen ze boven op den molen klommen en den dichten nevel bemerkten, die weder de watervlakte bedekte. De mist maakte de kans op redding heel gering. Slechts een toeval zou hun nu kunnen verlossen en dat kwam niet. Ze wachtten en wachtten. Het eene uur na het andere verstreek, doch geene boot vertoonde zich. De opgewektheid der tegen wil en dank gevangenen [174]was reeds lang verdwenen en had plaats gemaakt voor moedeloosheid. Ze dachten aan huis, aan de gezellige huiskamer in Vrederust, aan de consistoriekamer, waar ze luisterden naar de vertellingen van Anton’s grootvader. Ze dachten aan hunne betrekkingen en vrienden. Roelofs bezorgdheid over zijne moeder en zijn zusje, en Anton’s vrees voor de ongerustheid van zijn grootvader verdrongen hunne eigen rampen, totdat op eens weder het schrikbeeld van den hongerdood in hunne verbeelding verscheen. Het werd middag en de arme jongens waren radeloos. De honger deed zich eveneens gevoelen, want de weinige aardappelen hadden hun maag niet kunnen bevredigen. Troosteloos zaten ze boven op den molen voor het geopende luik. De koude voelden zij niet. Opeens scherpten beiden hunne ooren. Ze hoorden gerucht. Een oogenblik later hoorden ze duidelijk verwijderd hondengeblaf. Verheugd sprongen ze overeind en riepen als uit één mond: „Goddank, ’t is Jemmy, ’t is ons hondje, nu is er redding nabij.” Zoo hard ze konden, begonnen nu de jongens te roepen en te schreeuwen. Het hondengeblaf werd duidelijker en het volgende oogenblik hoorden ze Thijs roepen. Nog eenige seconden later kwam de boot met Thijs en mijnheer [175]Den Bosch erin, uit den nevel te voorschijn. Groot was de blijdschap der jongens, maar grooter nog die van den ouden man. In minder dan geen tijd waren de gevangenen uit den molen geklommen en in de boot. De jongens namen de riemen en de zeer vermoeide veerschipper nam plaats aan het roer. Met grooten spoed roeiden ze huiswaarts en vertelden onderwijl hun avontuur, waarna ook Thijs en de meester van hunne tochten verhaalden. Dien morgen waren ze al vroeg naar de naburige dorpen en eindelijk naar Dussen geroeid, maar nergens hadden ze eenig spoor gevonden. Op den terugweg vonden ze de bakken in de takken van een knotwilg verward. Dit gaf hun eenigen reden te vermoeden, dat de jongens gered waren door eene voorbijvarende boot. In den molen hadden ze echter heel geen erg gehad en hem trouwens ook niet gezien. Opeens was Jemmy, die ze op aanraden van Stans hadden meegenomen, hevig beginnen te blaffen. Kort daarop hadden ze het hulpgeroep gehoord zonder nochtans aan den molen te denken. Zij wisten niet, vanwaar het roepen tot hun kwam. Eerst bij het naderen hadden ze hem ontdekt. Jemmy was hier feitelijk de redder geweest.—
De scherpe Oostenwind floot over de vlakte, [176]maar ze voelden koude noch vermoeidheid. Binnen een uur landden ze behouden en wel aan het burgemeestershuis, waar de jongens met uitbundige vreugde ontvangen werden. Mevrouw Van den Oever lachte en schreide tegelijk, toen ze haar zoon in de armen sloot. Roelof kuste zijne moeder op de roodgeweende oogen. Nu eerst kon hij zich den angst voorstellen, dien ze voor hem had moeten doorstaan. [177]
Het oude rijmpje: „Mist, heeft vorst in de kist,” werd ook nu weder bewaarheid. Op den dag, dat Roelof en Anton verlost werden uit den molen, was de vorst ingevallen en wel met zulk eene strengheid, dat in korten tijd de watervlakte met een dikken ijsvloer was bedekt. In hoe weinig tijd het zoo sterk had gevroren, dat de vaart gestremd was en de gemeenschap der dorpen onderling te voet kon geschieden, kan ik me niet goed meer herinneren. We kunnen het echter vrij nauwkeurig bepalen. We lezen immers, dat met den storm van den 7den en 8sten Januari het water schuimend en bruisend door de hulpgaten zich een weg baande.
Een droevig feit op den 18den Januari—de herinnering er aan is me nog levendig bijgebleven—geeft ons de wetenschap, dat toen reeds door reizigers den weg van Vlijmen over het Bossche Veld [178]naar ’s Hertogenbosch te voet werd afgelegd. De bedoelde noodlottige gebeurtenis, hoewel die tot ons verhaal in geen enkel verband staat, wil ik toch in korte woorden vertellen.
De heer J. A. Vesters, verslaggever van „het Huisgezin” en vader van zeven jonge kinderen, keerde op dien datum tegen den avond van het terrein der doorbraak huiswaarts. Verscheidene lieden hadden hem den tocht over de uitgestrekte ijsvlakte afgeraden. Plichtsbesef weerhield hem te blijven; bovendien wachtte zijne vrouw hem stellig en hij wilde haar niet in ongerustheid laten. Het was vreeselijk weêr. De sneeuwjacht joeg hem in ’t gelaat, de wind gierde over de vlakte en de koude ging hem door merg en been. Toch schreed de tengere man moedig voorwaarts, hoe zwaar het hem ook viel. Onderweg kwam hem de postbode van Den Bosch op Heusden tegen,—M. van Grondelle—die hem met klem trachtte te bewegen met hem terug te keeren. Hij liet zich niet overreden, helaas! Na zich nog eene poos te hebben voortgesleept, deed zich bij Vesters de vermoeidheid met het oogenblik sterker gevoelen. Zijne ledematen verstijfden, het bloed kwam hem uit den neus. Eindelijk zonk hij neder. [179]
Den volgenden middag werd zijn lijk gevonden in de houding van iemand, die uitgeput in slaap gevallen is. Het was half bedolven onder de sneeuw.—
Omstreeks denzelfden tijd, dat de heer Vesters op zoo droevige wijze om het leven kwam, begaven zich de jongens Roelof en Anton op weg naar vrouw Oudkoop. Het was niet de eerste keer na hunne gevangenschap. Reeds den dag van hunne verlossing hadden ze met Roelofs moeder en Thijs de zieke bezocht en haar in een erbarmelijken toestand aangetroffen. Door de krachtige hulp van mevrouw Van den Oever was zij wel weer een weinig opgekwikt, maar beterschap kwam er niet. Integendeel, de zieke vrouw werd gaandeweg erger. Iederen dag werd ze nu door de jongens bezocht, soms meer dan eens. Deze maakten de kachel voor haar aan, brachten haar het zoo begeerde kopje koffie en heerlijke soep.
Eens per dag ook kwam de meid van den burgemeester mede om werkzaamheden te verrichten, die de jongens niet doen konden. Mevrouw zelve kwam niet meer. Eene hevige verkoudheid belette haar uit te gaan. [180]
Ook nu, we weten in welk weder, begaven zich de jongens naar de zieke en brachten het potje soep mede. Ze traden binnen en vonden de arme weduwe in eene ijlende koorts. Het was verschrikkelijk, het lijden der vrouw aan te zien. Eenige oogenblikken stonden de knapen als aan den grond genageld. Zoo iets hadden ze nooit bijgewoond. Eindelijk hield het verwarde spreken op. De strakke trekken ontspanden zich en de starende oogen vielen dicht. Behoedzaam slopen de jongens nader. Eerst meenden ze, dat de ongelukkige dood was. Dit vermoeden bleek gelukkig onjuist. Er was nog leven, maar hoelang zou het duren? Nog één hevige aanval van koorts en ’t was gedaan, dat beseften ze zeer goed. Wat te doen?—
„We moeten om den dokter. Als er vandaag geen hulp komt, moet ze sterven,” meende Roelof.
„Een dokter moet er komen, dat is zeker,” sprak Anton, „maar wie zal er om gaan in dit weder? Was grootvader maar thuis of de meester. Ze zijn van morgen naar Heusden vertrokken om voeding en brandstof en komen stellig niet voor den avond thuis.”
„Laat ons samen gaan,” hernam Roelof.
„Neen, dat in geen geval,” gaf Toon ten antwoord. [181]„Uwe moeder zou het u nooit toestaan. Weet je wat. Ik ga naar Drongelen en als ik daar ben, zal ik wel verder raad schaffen. Ga jij intusschen naar huis en vraag je moeder om raad.”
Zoo gebeurde het ook. Roelof maakte eerst wel tegenwerpingen, maar moest zwichten voor de redeneering van zijn vriend. Wanneer ze eerst naar huis gingen, zou mevrouw nooit toestaan den tocht over het ijs te wagen. Eer er een ander gevonden was, zou het te laat zijn om een dokter mee te krijgen.
Roelof ging huiswaarts en Anton maakte zich reisvaardig. Hij zette den kraag van zijne duffelsche jas op, deed eene groote wollen das om, trok de muts over de ooren en deed de broek in de laarzen. Gewapend met een ijshaak toog hij moedig op weg. Jemmy volgde hem. Gaarne had hij het arme dier teruggebracht, maar hij gunde er zich geen tijd voor. De tocht viel hem niet mee. Wel had hij gerekend op groote bezwaren, zóó moeilijk echter als de werkelijkheid zich deed kennen, had hij het zich niet voorgesteld. De oostenwind zwiepte de scherpe sneeuw tegen zijn gelaat; het kostte hem groote moeite om op de been te blijven. Nu eens gleed hij uit over de spiegelgladde vlakte, dan weder waadde hij tot de knieën door [182]de opgehoopte sneeuw, een volgend oogenblik stond hij voor een wak of open watervlak en moest hij een omweg maken om verder te kunnen. Eer hij half weg was, had eene doodelijke vermoeidheid hem overvallen. Toch sleepte hij zich moedig voort, aangemoedigd door zijn hondje, dat blaffende tegen hem opsprong. Het gladde ijs, de sneeuwheuvels waren lastig, maar oneindig meer last gaf hem de scherpe sneeuwjacht. Alleen wie zelve in een sneeuwstorm is geweest, kan zich het gevaar voor stellen, waarin de moedige knaap verkeerde.
Een slaperig gevoel kwam over hem, dat hij met moeite bestreed. Hij was reeds dicht bij Drongelen. Daar struikelt hij over een sneeuwberg. Te vermoeid om op te staan, zinkt hij neder op de witte vlokken, die, scherp in het aangezicht, zooveel te zachter zijn om op te liggen. Zal hij inslapen om niet meer te ontwaken? Neen, daarvoor zorgt Jemmy. Het beest beseft het gevaar, waarin zijn baas verkeert. Het springt over hem heen, likt hem het aangezicht, blaft hevig, en bijt hem ten laatste zacht in de handen. Verschrikt ziet Anton op. Hij doorziet zijn toestand en springt overeind; hij is gered.
Voorwaarts gaat het weder. De ijshaak dient [183]hem tot steun. Eindelijk is hij in het dorp en, beschut voor den storm, is hij weldra aan het Veer, waar hij met blijdschap wordt ontvangen en waar hij als een gezonde en sterke jongen spoedig van de vermoeienissen bekomen is.
Baas van den Hoven wil hem niet alleen laten gaan. Het gevaar is te groot en al is de Zomerdijk droog en de weg dus niet zoo vermoeiend als over het ijs, de sneeuwstorm is er even sterk. Een ander, bereid om voor Dirk’s moeder een gewaagden en misschien nutteloozen tocht te ondernemen, is niet te vinden en Toon is niet van zijn plan af te brengen.
„Laat ons dan samen gaan, vader!” vraagt de oudste zoon des huizes. Van den Hoven stemt nu toe en vlug spoeden de jongens zich voort.
Het is reeds laat in den middag als zij te Waalwijk aankomen. De dokter, waar ze aanschellen, heeft geen trek den moeilijken tocht te ondernemen. Anton smeekt hem om mede te gaan. De geneesheer laat den dapperen knaap van de zieke en van zijne reis vertellen. Toen hij hoorde van het levensgevaar, waaraan de flinke jongen door zijn hondje ontsnapt is, roept hij uit: „Jongen, ik ga met je mee. Ik zou me altijd voor je moeten schamen, als ik het niet deed.” [184]Fluks wordt nu een rijtuig met twee paarden ingespannen en als de dokter in de apotheek een en ander heeft klaar gemaakt om mede te nemen, stijgt het drietal in. Aan het veer worden de paarden op stal gezet en nu wordt de ijsvlet in gereedheid gebracht, een bootje, dat van onder als slede is ingericht. De geneesheer met Toon nemen er in plaats en een viertal krachtige mannen met hooge laarzen duwen het vlet voort. Kwamen ze aan een open watervlak, dan konden de mannen zich in de boot redden en verder roeien tot het ijs weder sterk genoeg was, om het als slede ingerichte vaartuig te dragen. Gelukkig konden ze telkens bijtijds een wak ontdekken en behoefden ze er dus niet over te varen. Er omheen ging natuurlijk veel sneller. Spoedig was de dokter bij de zieke. Zijne komst was zeer noodig, den volgenden dag zou hij te laat gekomen zijn, zeide hij. Hij deed eene keus uit de geneesmiddelen, welke van te voren gereed gemaakt waren en begaf zich toen naar Vrederust, waar hij huisdokter was. In overleg met mevrouw werden de noodige maatregelen getroffen. Eene vertrouwde vrouw werd gevonden, om de zieke op te passen en na de noodige wenken en voorschriften aan deze en ten overvloede [185]aan mevrouw te hebben gegeven, vertrok de geneesheer. Anton was, zooals wel te begrijpen is, uitgeput van vermoeienis. Zoodra hij thuis kwam, ging hij te bed en sliep weldra in. Hij had de heerlijke voldoening een mensch het leven te hebben gered.
De moed en zelfopoffering van den knaap werden alom geprezen. Constans wachtte den volgenden morgen met bewondering haar vriend en redder van weleer op, om hem het eerst te kunnen geluk wenschen. Met bewondering zeg ik, want het meisje zag tegen hem op als een held. [186]
Op het tijdstip, dat Anton zijn levensgevaarlijken tocht om den dokter deed, was het water reeds aanzienlijk gevallen. Elken dag werd het lager en het duurde nog slechts weinige weken of de meeste wegen waren vrij van water en alleen nog bedekt met eene ontzaggelijke ijskorst.
Voor we ons verhaal verder voortzetten, komt het me wenschelijk voor, nog eens voor ’t laatst een blik naar Nieuwkuyk te werpen.
Het werk der beringing of met andere woorden het leggen van eene ringkade om de doorbraak aan de buitenzijde van den dijk, waar binnen het nieuwe dijkvak zou worden aangelegd, was omstreeks half Januari voltooid. Den 17den Januari werd te Vlijmen het leggen van den dijk aanbesteed. De laagste inschrijvers waren de heeren Van Haaren (van Utrecht en van Kerkdriel), en de heeren De Vries van Rossum. Aan deze [187]beide laagste inschrijvers werd het werk gegund. Dat zij heel wat aandurfden, bleek duidelijk uit de biljetten van de overige zes mededingers. De hoogste inschrijver toch vroeg voor het werk meer dan 100,000 gulden. De verwachtingen, die het dijkbestuur in tegenstelling van vele anderen koesterden van de voortvarendheid der genoemde heeren, werd niet gelogenstraft. Reeds denzelfden avond begonnen ze de richting uit te bakenen trots koude en sneeuwjacht, en den volgenden dag kon met het reuzenwerk een aanvang worden gemaakt. Een reuzenwerk zeg ik en met recht. Het was niet zoozeer den omvang, dan wel de groote moeilijkheden er aan verbonden, die het dien naam waardig maakte. Niet alleen was de grond bedekt met eene dikke ijslaag, maar de bodem zelfs was tot decimeters diep bevroren. Op vijf punten werd de arbeid begonnen en met den grootsten spoed, met taaie volharding voortgezet. Eerst werd het ijs weggeruimd, daarop de steenharde grond losgebroken en eerst toen kon met het leggen van den dijk worden aangevangen.
De arbeid vorderde snel en de pogingen der heeren aannemers schenen met gunstigen uitslag bekroond te worden. Er gebeurde echter iets, dat aller arbeid tevergeefsch dreigde te doen zijn. [188]Plotseling viel de dooi in, een hevige, onrustbarende dooi. Het ijs op de rivieren raakte los, het water wies met het oogenblik en de dijk was in lange niet gereed en verre van sterk genoeg, om de watermassa te weerstaan. Ieder oogenblik kon de ijsvloer over het Bossche Veld losscheuren en konden de ontzaglijke, opeen geschoven, opgestapelde schollen den zwakken, hier en daar nog uiterst lagen dam verwoesten. Eene tweede, maar nu veel wreeder overstrooming stond voor de deur. Waar zou het einde zijn, als de verwoestende golven nu ook de alles meesleurende ijsschollen zouden landwaarts voeren en huizen, neen, heele dorpen wegmaaien!
Slapeloos lag een der aannemers op zijne legerstede, terwijl drie der andere heeren in de directiekeet zaten. Daar schiet hem plotseling de gedachte door het hoofd, dat een houten teen met eene behoorlijke verzwaring den dijk misschien redden kan. Terwijl hij zich naar de keet spoedt, werkt hij zijn plan verder uit. Het wordt zonder veel beraad door de andere heeren goedgekeurd en den volgenden morgen reeds werd eene vergadering van het dijkbestuur te Heusden belegd om het plan te bespreken. Ook hier werd het met vreugde begroet en werden de voorwaarden [189]voor overwerk op billijke wijze geregeld. Aan den C. van Haaren is voorzeker voor een goed deel het behoud van den dijk te danken.
Er dreigde echter nog meer gevaar.
Eenige kwaadwilligen trachtten den 27sten Januari de ringkade door te steken. Hun toeleg werd gelukkig bijtijds verijdeld.
Een anderen keer werd eene wel ontdekt in den nieuwen dijkaanleg. Eerst laat werd het gat gevonden en slechts 14 mannen hadden de wacht; de anderen waren op grooten afstand in keeten en hutten gehuisvest. Het water stroomde reeds bruisend en kokend door de steeds grooter wordende opening. De aannemers waren bijna radeloos, al behielden ze hunne tegenwoordigheid van geest.
Hadden ze voldoende manschappen onder hunne bevelen, dan kon het gat nog gestopt en het gevaar afgewend worden.
Het heele detachement infanterie, in Nieuwkuyk gelegerd, onder bevel van sergeant Jhr. van Panhuis, bood zijne diensten aan. Met deze welwillende hulp en nog andere toegesnelde personen werd de strijd tegen het water aangegord. De wakkere aannemers stonden zelve half het lichaam in ’t water, gaven hunne bevelen en vuurden allen [190]tot de grootste krachtsinspanning aan. De overwinning was het heerlijke loon.
Het steeds wassende water en de voortdurende dooi bemoeilijkten den arbeid zeer, maar door een nog grooter aantal arbeiders, veel meer karren en door te arbeiden, dag en nacht werd eindelijk het werk met den schitterendsten uitslag bekroond. Den 17en Februari werd na slechts 30 dagen arbeid, het dijkvak opgeleverd. De aannemers ontvingen den persoonlijken dank van de ministers van Waterstaat en Binnenlandsche zaken, die enkele dagen van te voren het werk bezichtigd hadden. Eene som van 8000 gulden aan premie werd hun uitbetaald wegens het 10 dagen vóór den tijd gereed zijn en feestelijk werden ze met de stoomboot naar ’s Hertogenbosch gebracht.
Keeren we echter tot den held van het verhaal terug. De dijk was dicht en zooals we in het begin van dit hoofdstuk zeiden: de wegen waren weldra vrij van water. Ze waren echter nog lang niet vrij van ijs. Had de dooi aangehouden, het ijs zou spoedig verdwenen zijn, maar dit was niet zoo. Eensdeels was het nog maar gelukkig. Honderden werklieden vonden arbeid in het opruimen van de verbazend dikke schollen, die als [191]een boog alle wegen overdekten. De arbeiders, die met houweel, bijl en spade het werk verrichtten, kregen elk een gulden daags. Dit was hunne eerste verdienste na den bangen winter. Zonder dit zouden ze nu toch wel geleefd hebben, maar het is voor een eerlijk huisvader veel opwekkender zelf zijn brood weder te verdienen, dan nog langer te moeten leven van de publieke liefdadigheid, hoeveel lof deze ook toekwam in die donkere dagen.
Anton was nog te Eethen. Zijn grootvader bevond zich reeds op het veerhuis en zijn kleinzoon zou hem spoedig volgen. De eerste weken bleef hij op dringende uitnoodiging van mevrouw Van den Oever nog op Vrederust. De jongens waren evenals Pieter en Hendrik den Bosch met frisschen moed aan ’t werk gegaan. De examens stonden voor de deur en studeeren was de boodschap. De schade moest ingehaald worden en het moet gezegd worden, ze werd ook ingehaald. Allen werkten om ’t hardst. Dit nam niet weg, dat ze geregeld bezoeken aan vrouw Oudkoop bleven brengen. De oude vrouw was hun lief geworden en deze van haar kant wist geen woorden te vinden om hare dankbaarheid te uiten. Sinds het bezoek van den dokter, die nog een paar malen terug was gekomen, nam ze gaandeweg in beterschap toe [192]en nu reeds mocht ze een enkelen keer buiten komen. Ook woonde ze niet meer op den zolder. Met behulp van Janus, den brompot, en de meid van den burgemeester was het huis weder in orde gebracht.
Om den jongens een genoegen te bereiden, had de inmiddels voor goed thuis gekomen burgemeester de ar van den stalzolder laten halen. Een paard met rinkelend bellentuig werd er voor gespannen en voort ging het. Vele plaatsen en ook Nieuwkuyk werden bezocht. Tal van arresleden kwamen ze overal tegen. De wegen waren uitstekend geschikt voor een sledevaart en vele gegoeden maakten er ook gebruik van. Nieuwkuyk bood een toonbeeld van ellende en verwoesting aan. De beschrijving besparen we onzen lezers maar. Ze hebben al genoeg kennis gemaakt met de rampen van den watervloed.
Toon vertrok eindelijk voor goed naar huis en met leede oogen zagen Stans, Roelof en de jongens Den Bosch hun trouwen makker vertrekken. De studie werd nu op den ouden voet voortgezet en Anton toonde dag aan dag meer, dat hij ook nog iets anders kon dan roeien en ijsloopen.
Vrouw Oudkoop was spoedig geheel hersteld en kon haar eerste bezoek afleggen bij haar ongelukkigen [193]jongen. Ze sprak hem bij deze en vele volgende gelegenheden van de liefde der jongens, van Stans en de heele burgemeestersfamilie en vooral van de zelfopoffering van Anton. Hare woorden en hare liefde hadden eene goede uitwerking. Bij Dirk vertoonde zich iederen keer meer eene merkbare verbetering en ten slotte beloofde hij zijne liefhebbende moeder met tranen in de oogen een beter mensch te zullen worden, en deze, gelukkig als ze was, sloeg de armen om den hals van den beminden zoon. In de gevangenis deed hij zijn best het vertrouwen der wachters te winnen en zijne oppassendheid gaf hem vele voordeelen te genieten, die hem anders ontzegd zouden zijn. Het grootste genot was zeer zeker, dat hij er dikwijls zijne moeder ontvangen mocht. [194]
We verplaatsen ons in gedachten eenige maanden later. Het is in den nazomer. Van de rampen, die de dorpen in het land van Heusden geteisterd hebben, zijn alle sporen verdwenen. De huizen zijn hersteld of weder opgebouwd. De velden prijken met een goed gewas en zullen stellig een overvloedigen oogst opleveren. Deze vergoedt misschien den landbouwers voor een deel de schade, aan het winterkoren geleden.
Ook het huis van vrouw Oudkoop vertoont een heel ander aanzien, dan gedurende den watervloed. Wel was de schade vrij aanzienlijk, doch op kiesche wijze is de weduwe door den burgemeester en door kapitein Rondhout geholpen. Zij zelve is weder de oude van vroeger. Rustig leeft ze voort van de opbrengst van het eenig overgebleven stukje weiland, van den boomgaard en hare kippen. Haar zoon is nog gevangen, doch ze kan [195]hem iederen dag verwachten. Zijn tijd is bijna om.
Op het Drongelsche veer is alles, zooals voorheen. Thijs zet over met pont en boot. Anton studeert hard, maar hij krijgt nu alleen les. De gezellige tijd van vroeger is verdwenen. Roelof is te Gorinchem op het Gymnasium; Stans is op eene kostschool nabij Arnhem en de vier onderwijzerszoons gaan op de Rijksnormaallessen te Heusden, de beide oudsten zijn geslaagd voor de eerste, en de anderen voor de voorbereidende klasse. Zij hebben, als ze niet in Heusden op de les zijn, druk hun werk, en alleen op Zondag kan men hen nog vaak op het Drongelsche veer aantreffen. Toon is dus alleen over, maar ook zijn dag van vertrek nadert. Het zal niet lang meer duren of het prettige troepje jongens is uit elkander. Loopen hunne levenspaden echter in verschillende richting, hunne vriendschap houdt hen bijeen.—
De genegenheid tusschen vrouw Oudkoop en haar jeugdigen oppasser en redder in de bange winterdagen is zoo mogelijk nog sterker geworden. De jongen zal nooit te Eethen komen of hij brengt haar een bezoek. Met verlangen verbeidt de weduwe den Maandagmiddag, als haar jonge vriend bij mijnheer Den Bosch les haalt. Zij brengt hare eieren niet meer te Heusden ter [196]markt; ze heeft hare afnemers gezocht en gevonden te Waalwijk, waarheen de weg langs het Veer leidt.
Het is weder Maandag en Anton pakt na afloop der les zijne boeken bijeen. Hij slaat den weg in naar de bekende kleine boerderij. Vrouw Oudkoop staat reeds op den uitkijk en begroet den jongen hartelijk.
„Kom je nog een oogenblik met de oude vrouw praten, beste vent? Daar doe je wel aan. Ik heb een lekker kopje warme melk voor je klaar.” Ze gaat hem voor in het ruime, eenvoudige ingerichte vertrek.
„Ik ben zoo blij, dat je gekomen bent Toon, ge kunt niet denken, hoe verheugd ik ben. Van avond komt mijn jongen thuis en ik had er zoo vast op gerekend je hier te hebben, als hij weder voor ’t eerst voet in huis zet. Ik zou zoo gaarne hebben, dat gij tegenwoordig waart bij het weerzien en dat gij hem ook met een handdruk wildet verwelkomen. Ik weet wel, dat ge het mij wel tienmaal verzekerd hebt, maar toch durfde ik u niet te vragen. Nu het zoo treft, dat ge uit u zelve hier zijt, had ik zoo innig graag, dat ge met mij op Dirk wachttet. Zoudt ge dat willen? Zeg het maar gerust, jongen. Maar neen, [197]hoe kan ik het vragen. Gij zijt altijd zoo eerlijk en Dirk is.…”
„Kom, kom, vrouw Oudkoop, geen praatjes hoor. Je weet heel goed, dat het ook mijn wensch is met je zoon goede vrienden te worden. Het zal me een genoegen zijn hem de hand te reiken.”—
„Goeie, beste Toon. Als alle menschen zoo maar waren, dan zou er nog wel een beter mensch van hem groeien. Ik ben altijd zoo bang voor de gevolgen, als ieder de handen van hem aftrekt. Zou hij nog wel ooit ergens werk krijgen? Of zouden allen zeggen: ga heen, een.… een.… kunnen we niet gebruiken.”—Het woord dief wilde de moeder niet van de lippen.
Eene donkere schaduw glijdt langs het raam; het tweetal bemerkt den nieuwaangekomene niet, die aarzelend door de op een kier staande deur kijkt.
—„Dat is al in orde, vrouw Oudkoop. Roelof heeft er reeds bijtijds voor gezorgd. Zoodra Dirk thuis is, mag hij weer bij den burgemeester in dienst komen. Na al, wat gij van hem verteld hebt, gelooven ze op Vrederust stellig, aan zijne beterschap. Later, als hij liever hier vandaan wil, is er nog iemand, die hem gaarne zal voorthelpen. Met goeden wil kan hij zeer zeker een degelijk mensch worden.” [198]
„En die iemand is Toon Groen, niet waar?”—
„Hoe zou dat nu kunnen, vrouw Oudkoop, hoe zal ik iemand kunnen helpen, die zelf nog niets ben. Neen hoor, ’t is een ander, maar dat is van later zorg.”—
„En zult ge u ook niet schamen met Dirk samen te zijn?”—
„Ik wil dadelijk met hem gaan wandelen, ’t heele dorp door; wat ik zeg, meen ik, dat weet u wel.”—
Aarzelend wordt de buitendeur geopend.
„Daar is Dirk”, roept de vrouw verheugd uit, terwijl ze hem tegemoet snelt.
„Moeder!” is het antwoord en de verloren zoon valt haar snikkend om den hals.
Anton is verlegen met zijne houding. Gaarne had hij moeder en zoon alleen gelaten, maar zijn plicht gebood hem te blijven.
Eindelijk maakt de moeder zich los uit de armen van haar zoon, die onthutst en beteuterd voor zich uit ziet. De aanwezigheid van een vreemde maakt hem beschaamd.
Toon treedt nu naar voren en met de woorden: „dag Dirk, welkom thuis,” steekt hij hem de hand toe.
De ontslagen gevangene grijpt die gretig aan. [199]„Je wilt me dus nog kennen, Toon,” vraagt hij, zonder de oogen op te slaan. Maar op hetzelfde oogenblik laat hij angstig de aangeboden hand los en bedremmeld klimt hij de zoldertrap op om alleen te zijn. Het gezelschap benauwt hem. De woorden van vergeving, zooeven aan de deur overdacht, willen hem nog niet over de lippen.
Anton staat op om te vertrekken.
„Ik kom eens gauw terug, vrouw Oudkoop. Nu moet ik heen. Als Dirk lust heeft, komt hij me maar eens opzoeken.” En zacht fluistert hij haar in ’t oor: „Zorg, dat hij morgen op Vrederust vergeving gaat vragen”—
„Dag beste jongen. God zegen je!” zegt de dankbare moeder, terwijl ze hem uitlaat. [200]
Toon heeft nu voor goed zijn beroep gekozen. Hij zal opgeleid worden voor stuurman bij de groote vaart en, zoo het hem mag gelukken, hoopt hij eenmaal als zoodanig geplaatst te worden op eene der groote passagiersbooten naar Oost-Indië of Amerika.
Het toelatingsexamen voor de zeevaartschool zal in de maand Juni worden afgenomen en die tijd nadert snel. De laatste weken werkt hij met verdubbelden ijver, want hij zou gaarne in alle vakken een voldoend cijfer behalen. De adspiranten, die in alle vakken een goed examen afleggen, hebben de voorkeur om in het gesticht te worden opgenomen, en het is bekend, dat het aantal mededingers vaak meer dan het dubbele bedraagt van het aantal beschikbare plaatsen.
Toon was in alle vakken goed onderlegd, behalve in Fransch en Engelsch, waarin hij nog maar [201]kort had les gehad. Gelukkig werd de kennis van de Engelsche Taal niet vereischt.
Op den dag van het examen gevoelde Anton zich niet erg op zijn gemak. Trouwens geen wonder. De jongen had geheel alleen de reis naar Amsterdam gemaakt. Hij moest vroeg zelfstandigheid leeren, was de leus van kapitein Rondhout en diens woord was voor grootvader Thijs eene wet.
Het examen zelf viel den knaap echter niet tegen. Reken-, stel- en meetkunde ging hem zeer gemakkelijk af, evenals Nederlandsche Taal, Geschiedenis en Aardrijkskunde. De vragen en opgaven waren veel gemakkelijker, dan hij zich had voorgesteld.
Al ging het nu met de Fransche Taal wat minder goed, hij maakte over ’t geheel een goed figuur.
Anton Groen kwam met no. 12 op de ranglijst en werd toegelaten op de kweekschool voor Zeevaart.
Tegen het einde van de maand Augustus, dus kort na de thuiskomst van Dirk uit de gevangenis, brak voor Anton een nieuw levenstijdperk aan. Het leven in de groote stad Amsterdam en de nieuwe omgeving deden de eerste weken bij den [202]dorpsjongen heimwee ontstaan. Lang duurde dit niet. Spoedig had hij vele vrienden onder zijne medescholieren en eveneens onder zijne superieuren.
Reeds het tweede jaar van zijn verblijf op de kweekschool deed hij zijne eerste reis op een koopvaardijschip naar de Levant en weinige jaren later was hij 3e stuurman op eene der booten van de maatschappij Nederland, die door het Suez-kanaal een geregelden dienst op Nederlandsch Oost-Indië onderhouden. [203]
Het verblijf in de gevangenis had bij Dirk Oudkoop eene heele verandering te weeg gebracht. Hij was geen jongen meer. Hoewel nauwelijks 19 jaren oud, was er reeds een zekere ernst over hem gekomen, die kwalijk paste bij zijn leeftijd. Aan het spel zijner vroegere kameraden nam hij geen deel meer; hij hield zich steeds op den achtergrond. Aan alles kon men merken, dat het vonnis hem drukte. Of het eene verandering ten goede was, zou de tijd moeten leeren. Zijn gesloten karakter deed weinig dankbaarheid merken jegens degenen, waaraan hij en zijne moeder verplicht waren, maar evenmin haat jegens zijne vele vijanden. De dorpelingen vergaten zijn diefstal nog minder dan hij zelve en lieten niet na hem dit te doen gevoelen.
De burgemeester had hem op verzoek van zijne vrouw en kinderen, van Toon en kapitein Rondhout, weder in dienst genomen. Hij had geen [204]reden om er berouw over te hebben, doch ook niet om zich te verheugen. Dirk deed trouw zijn werk, stoorde zich niet aan de spottende blikken en vaak kwetsende woorden zijner medearbeiders en ging zwijgend zijn gang. Van genegenheid jegens zijne weldoeners echter geen spoor.
Evenzoo was hij tegenover Anton, zijn ouden vijand, de redder zijner moeder. De weinige dagen voor diens vertrek was hij hem steeds uit den weg gegaan. Of hij zijn best deed den ouden haat tegen den nu nog meer dan vroeger algemeen beminden jongen te onderdrukken, dan wel of hij poogde de dankbaarheid te verbergen, die hij jegens den vriend zijner moeder koesterde, het was niemand duidelijk. Toch scheen het een of het ander waar te wezen. Anton van zijn kant had geen pogingen tot verzoening meer in ’t werk gesteld en Roelof evenmin. Het gesprek in de bakken op het mistige watervlak was reeds lang uit het geheugen gewischt. „Indien Dirk de aangeboden hulp versmaadde, moest hij het zelf weten,” redeneerden de jongens. „Zij hadden hun plicht gedaan.”
De herfst ging voorbij en het werd winter. In de Kerstdagen waren alle vrienden weder bij elkander en vooral Anton, die het verst weg was en [205]slechts zelden kon thuis komen, smaakte veel genoegen weder te midden zijner oude kameraads te zijn. De weinige dagen van zijn verlof waren voor allen feestdagen. De avonden werden doorgebracht in den familiekring van den burgemeester, op het veer en bij den meester. De korte dagen waren zij voor een goed deel op het ijs. De lage weilanden aan de Noord en Noord-Oostzijde van Eethen stonden over eene groote uitgestrektheid onder water en een ijsvloer er over leverde den schaatsenrijders prachtige banen. Heel sterk was het ijs wel niet, dat voor een deel uit bevroren, natte sneeuw bestond en sneeuwijs genoemd werd, maar het ondergeloopen land leverde ook weinig gevaar op. Er werd dan ook druk gereden. Van alle kanten kwamen de schaatsenrijders opdagen en de ijsbaan wemelde van schaatsenrijders en toeschouwers, groot en klein. De vlaggen op de tentjes wapperden en de eigenaars maakten goede zaken.
In een dezer tenten of liever achter een scherm op eene bank,—meer waren die tenten niet,—hadden Anton met zijne kameraads en Stans plaats genomen om uit te rusten en een kop chocolade te gebruiken. Toevallig was ook Dirk Oudkoop in de nabijheid. Hij was evenals de anderen op [206]schaatsen en vermaakte zich alleen, tenminste hij reed en bekommerde zich niet om de anderen. Het deerde hem blijkbaar niet, dat hier en daar de uitroep zijne ooren trof: „de Rooie is op ’t ijs! Hoe durft hij zich te vertoonen!” Terwijl de jongens op de bank zaten, had weder iemand den treurigen moed om Dirk uit de verte eenige schimpwoorden toe te roepen. Anton stond op en verzocht den jongeling, dat te laten. Deze reed een eindje door, draaide zich om en zeide, „dieven en diefjesmaats hooren niet hier.”
Dat was te veel voor Toon. Hij kon de plotseling opkomende drift niet meester blijven en vliegt overeind om den belager te achterhalen. Deze vlucht ijlings over de vlakte, achtervolgd door Anton, ziedend van toorn. Dirk, die de woordenwisseling niet heeft bemerkt, ziet alleen, hoe Toon den ander nazit en hoe de drie jongens op de bank evensnel hun kameraad achteraan rijden. Zij hebben hem in langen tijd zoo driftig niet gezien. De Rooie kijkt onverschillig toe.
De vluchteling was reeds een heel eind vooruit en daar hij minstens even goed rijder was als zijn achtervolger, trachtte hij in een grooten boog de ijsbaan weder te bereiken om zich tusschen de menigte in veiligheid te stellen. Toon doorziet de [207]taktiek en neemt eene schuine richting om hem den weg af te snijden. De toorn gaf vleugelen aan zijne voeten, maar deed hem het gevaar niet zien, waarin hij zich bevond. Boven eene wetering is eene uitgestrektheid open water, waar hij recht op af rijdt. Plotseling bemerkt hij het wak, doch het is reeds te laat. Op hetzelfde oogenblik, dat hij zijne vaart met kracht wil stoppen, ligt hij kopje onder in het ijskoude water. Hij tracht zich met zwemmen te redden, doch het broze ijs brokkelt telkens af, als hij zich vastgrijpt. Neus en mond stoot hij in doodsangst stuk tegen de ijsbrokken. Zijne inmiddels toegeschoten vrienden zijn onmachtig hem te helpen. Wel probeeren ze het, maar het mag niet baten. De schaatsenrijders, die op het geschreeuw van alle kanten komen aanzetten, beletten hen noodeloos hun leven te wagen. In allerijl worden middelen beproefd, hier jassen uitgetrokken, daar dassen, touwtjes en zakdoeken, aaneen geknoopt, doch geen der middelen is proefhoudend. De krachten beginnen den armen jongen te begeven, een oogenblik later is hij machteloos. Zijne vrienden zijn wanhopig. Roelof wil te water maar wordt tegen gehouden.
„Uit den weg, plaats!” klinkt het uit de verte en met een razende snelheid nadert een jongeling, [208]met een touw om het middel en eene lange, sterke lijn achter zich aansleepende. „Grijpt het touw,” roept hij uit, en terwijl eenige toeschouwers hieraan voldoen, vliegt hij over het broze ijs, plons, juist op de plaats, waar Anton verdwenen is. Hij komt boven met den drenkeling in de armen. De houders van het touw trekken aan en zoo blijft de redder met zijn last tegen het ijs gedrukt boven water. „Niet trekken,” roept hij uit, „de bank! de bank! komen ze al?” Allen zien om en bemerken twee schaatsenrijders, die vlug naderen met eene lange bank op de schouders. Deze wordt over het ijs geschoven naar de drenkelingen, nadat een touw aan een der pooten is vastgemaakt. De redder brengt met groote moeite den bewusteloozen Toon op de onderstboven gekeerde bank en deze wordt nu gemakkelijk over het ijs op het sterkere gedeelte gebracht. Nogmaals wordt de bank half in het wak geschoven en nu klimt de redder er zelf op.

Toon wordt met een weinig brandewijn bij kennis gebracht en in eene slede van den eigenaar eener tent zoo spoedig mogelijk naar de dichtstbijzijnde woning vervoerd. Toen men naar den redder omkeek, was deze reeds verdwenen.—
„’t Is de Rooie,” roept de door Toon achtervolgde. [209]
„Die zooeven nog door jou werd beschimpt,” voegde Roelof er aan toe. De andere druipt hierop beschaamd af en Roelof volgt met de beide andere kameraads zijn vriend.—
Rooie Dirk had Anton gered. In de verte had hij gezien, dat Toon in het water verdween. IJlings was hij naar de naastbijzijnde tent gereden.
Een paar lijnen los snijden was het werk van een oogenblik. Nog even keert hij om en roept den eigenaar toe, eene bank te brengen. Deze had ook reeds van verre het ongeluk aanschouwd en haastte zich de langste der beide banken aan een paar vlugge rijders te geven, die, zooals we reeds weten, den voortvliegenden Dirk op den voet volgden.
Zoodra Dirk weder vast ijs onder de voeten had, haastte hij zich uit de menigte te ontsnappen en naar huis te rijden. Zijne moeder schreide van vreugde bij het hooren van zijn flink optreden.
Anton was reeds den volgenden dag geheel hersteld. Hij had den nacht op Vrederust doorgebracht en zoodra des morgens het ontbijt was afgeloopen, begaf hij zich naar zijn redder.
Vele gewaarwordingen bestormden den Rooie, [210]toen Toon hem met warmte de hand drukte en dankte voor zijn moed en opoffering. „Laat ons vrienden zijn, Dirk,” zeide hij, „laat mij u helpen en steunen zoo ge wilt. O, zeg mij toch, wat kan ik voor u doen?”
„Gij, voor me doen!” antwoordde Dirk, „ge hebt reeds veel meer voor me gedaan, dan ik ooit zal kunnen vergelden. Mijne moeder hebt ge het leven gered. Mij hebt ge doen stilstaan op het slechte pad en nu, nu kan ik misschien terugkeeren en voor goed een ander mensch worden.
„Wilt ge heusch een vriend worden van Rooie Dirk, die u.…”
—„Zwijg Dirk, het verledene is vergeten, de toekomst ligt voor ons. Van nu af zijn we vrienden, voor altijd.”
Den volgenden dag vertrok Anton. Zijn verloftijd was om. Eén vriend liet hij meer achter, dan hij bij zijne komst had gevonden.
Twee jaren bleef Dirk nog in het dorp, waar hij zich niet meer op zijn gemak gevoelde. Toen had hij het ongeluk zijne moeder te verliezen. Weinige dagen na de begrafenis werd huis en erf en het stukje weiland verkocht. De opbrengst belegde hij in overleg met den burgemeester in [211]solide fondsen en hij wendde zich tot Anton, die zijn vriend was gebleven, om raad en steun. Deze deed zijn best hem aan boord van het schip geplaatst te krijgen, waarop hij zelve voer. Gemakkelijk viel Toon dit niet, al heeft hij het Dirk nooit verteld. Een mooi getuigschrift van den heer Van den Oever en de voorspraak van kapitein Rondhout gaven den doorslag.
Van dit oogenblik af begon voor hem een ander leven. In het dorpje, waar iedereen hem en zijn verleden kende, gevoelde Dirk zich te veel onder den druk van het ondergane vonnis om zich vrij te kunnen ontwikkelen.
Hij werd een flink zeeman en boven al, een trouw vriend voor Anton, die nu zijn chef was. [212]
In de laatste twaalf jaren is er eene heele verandering gekomen in de landstreek, welke we beschreven hebben. De ontworpen spoorweg van ’s Hertogenbosch naar Lage Zwaluwe is reeds kort na den watersnood voltooid. Oorspronkelijk reden de treinen niet verder dan Waalwijk, maar nu de bruggen gereed zijn gekomen over den Baardwijkschen Overlaat en over het Bossche Veld, is ook de verbinding van de nijvere schoenmakersplaats met Noord-Brabants hoofdstad tot stand gekomen.
Het is op een mooien zomeravond ruim 12 jaren, nadat Anton en Dirk zich voor goed verzoend hebben.
Aan het station te Waalwijk is juist de trein van Lage Zwaluwe aangekomen. Uit een coupé tweede klasse wipt vlug een jonge man van omstreeks 28 jaren, misschien iets jonger, en kijkt rond of hij ook kennissen ontmoet. Hij schijnt [213]eenigszins teleurgesteld, doch slechts even. „Hoe kon ik ook zoo dwaas zijn,” mompelt hij, „niemand weet precies den dag van mijne komst.”
„Zal ik een rijtuig voor u bestellen, mijnheer?” vraagt een persoon, komende uit de derde klasse, die blijkbaar den koffer van den aangesprokene draagt.
„Laat maar, Dirk,” is het antwoord, „’t is mooi weder en ik loop liever. Den koffer kunt ge wel hier laten staan.”
We zien spoedig, dat beiden zeelui zijn. De eerste met zijne kranige uniform en lange sleepsabel met verguld gevest is blijkbaar een stuurman van eene der groote Suez-booten. De andere doet in houding en kleeding duidelijk den zeeman kennen, die eene ondergeschikte betrekking aan boord bekleedt. Het is een bootsman en de eerste is aan boord van hetzelfde vaartuig 1e stuurman. Zij slaan den weg naar Drongelen in en spreken, hoewel zeer verschillend in rang, vrij kameraadschappelijk.
„Die verandering kan me nog steeds niet bekoren,” zegt de stuurman. „Het is me als ontsieren die ontzaggelijke dijken deze streek en die nieuwe woningen, gelijk van grootte en van bouworde hebben voor mijn gevoel iets van kleine kazernes. [214]Wat een verschil met vroeger. Nu alles water, waar toen het vriendelijke veerhuis stond; nu een machinist op de stoompont, terwijl men vroeger zonder dat eeuwige kettinggerammel werd overgezet met de zacht glijdende veerpont; nu een zwijgende, zij het ook beleefde beambte, en vroeger een prettige veerman, die voor ieder een oude kennis was. Het graven van de Nieuwe Maas moge al eene groote verbetering wezen, voor mij is het eene verstoring van prettige herinneringen uit mijne jeugd.”
„Ik heb niet zooveel reden om het verleden met genoegen te herdenken,” zegt de andere, „en toch doen die veranderingen ook mij pijnlijk aan. Ik wil gelooven, dat zij, die dit breede water en die dijken langzaam zagen ontstaan, er niet zooveel gevoel voor hebben als wij vreemdelingen, het is voor hen ook zoo onbekend niet.”
„Zoo is het,” herneemt de eerste. „Wij willen gaarne alles terugvinden, zooals we het verlieten, vandaar de teleurstelling.
„Zie, ginds hebben we Stans haast levenloos uit het water gehaald. Waar zou ze nu zijn, zou ze me al wachten?”
„Stellig wel,” antwoordt de bootsman, „ginds bij den meester zit ze onder de waranda.” [215]
De stuurman snelt zijn reisgezel vooruit en is weldra aan het Drongelsche schoolhuis. Zijne aanstaande snelt hem tegemoet.
De lezers twijfelen zeker niet meer aan de namen der onbekenden. Het zijn Anton Groen en Dirk Oudkoop. Nauwelijks was het stoomschip aan den wal of beiden hebben zich gehaast hunne oude woonplaatsen te bereiken. En waarlijk geen wonder. Weldra zal het huwelijk voltrokken worden tusschen Anton Groen en Constans van den Oever.
Er heerscht vreugde over de komst van den knappen, stoeren zeeman op Vrederust en in het geheele dorp. Anton en Stans, de laatste niet meer een meisje, maar eene bevallige dame, worden om strijd gevierd. Bovendien zijn er feesten op til, groote feesten voor oud en jong. Er zal een eereboog gemaakt worden, de muziek van een fanfarecorps zal klinken door het stille dorpje; de jeugd zal zakloopen, mastklimmen en turfrapen en allen zullen rijkelijk worden onthaald.
De dag van het feest overtreft de werkelijk reeds gespannen verwachtingen. De dorpelingen vieren feest, als ze nog nooit gedaan hadden; de hoera’s weerklinken door de lucht en het „lang zullen ze leven” weergalmt langs de straten. Groote tafels zijn aangericht op den ruimen dorschvloer [216]en als bruid en bruidegom komen om de gelukwenschen te ontvangen, schijnt er aan het gejubel geen einde te komen.
Ook binnen is het feest in vollen gang. Mr. Roelof van den Oever put zich uit in de vroolijkste toosten. „Of hij spreken kan! Nu, daar is hij advocaat voor,” zegt Janus, die in een gemakkelijken stoel op den dorschvloer zit te brommen, tot groot vermaak der aanwezigen. Janus leeft nog, maar de kleinkinderen van den burgemeester zal hij wel niet meer vergezellen. De andere oude man in de voorkamer, die tusschen den advocaat en mevrouw van den Oever is geplaatst, ziet er nog krasser uit. Het is Thijs, de gelukkige grootvader van den bruidegom. De heer en mevrouw Van den Oever zijn weinig veranderd. De burgemeester is alleen wat gezetter geworden en bij zijne echtgenoote beginnen zachtjes aan zilveren draden zich door de haren te weven. Ook zij hebben reden tot vroolijkheid en zijn niet minder gelukkig, dan de oude veerschipper.
„Dit is de schoonste dag van mijn leven,” herhaalt de burgemeester telkens en zijne vrouw beaamt dit ten volle.
Nog andere oude kennissen treffen we aan tusschen de vele gasten aan den feestdisch. De heeren [217]Den Bosch en Zwart met hunne vrouwen en nog vier andere onderwijzers, we weten wel wie die zijn, treffen we hier aan.
Wie echter het meest bijdraagt tot de algemeene vroolijkheid is de ronde zeeman aan het raam, het is kapitein Rondhout.
Na de voltrekking van het huwelijk vestigt het jonge paar zich metterwoon te Rotterdam. De telkens wederkeerende afwezigheid van haar man is voor de jonge vrouw eene schaduw op haar geluk. Het wederzien na de scheiding is evenwel weder te aangenamer en gezelschap heeft ze steeds. Haar oude vriend, nu haar grootvader, woont bij haar in en ik weet niet, wie het meest wordt vertroeteld, de oude man of de jonge vrouw. Dit is zeker, dat ze de meest oprechte genegenheid voor elkander koesteren.
Thijs Groen had dus wel een gelukkigen ouden dag. De zorgen en de liefde, aan zijn kleinzoon besteed, werden hem ruimschoots vergolden en hij heeft den dag mogen beleven, dat deze als kapitein van eene der Suez-booten den Waterweg afvoer.
Dirk Oudkoop is ook reeds gehuwd en verdient als bootsman ruim zijn brood. Hooger in rang is hij niet gestegen, daarvoor had hij zijne schooljaren [218]te veel verwaarloosd. Ook kapitein Rondhout is nog in leven en woont stil op een lief, klein buitentje te Kralingen. Verder het land in, al is er het leven misschien goedkooper, wil hij niet. Hij kan de scheepslucht niet missen en menige wandeling maakt hij met zijn vriend Thijs langs de Boompjes.
EINDE.
[219]
| Bladz. | ||
| EEN ZEILTOCHTJE | 1 | |
| VREDERUST EN ZIJNE BEWONERS | 19 | |
| HET FEEST | 24 | |
| DE BELOONING | 37 | |
| DE OVERLAAT WERKT | 45 | |
| HOOG WATER | 52 | |
| TOON TE HEUSDEN | 64 | |
| DE RAMP VAN NIEUWKUYK | 70 | |
| HAAST U, REP U | 80 | |
| TOON TE EETHEN | 88 | |
| DE PASTORIE | 94 | |
| DE VERJAARDAG | 99 | |
| EEN AFGELUISTERD GESPREK EN EEN ONGEWENSCHT BEZOEK | 123 | |
| STORMACHTIGE DAGEN | 134 | |
| EEN GEVAARVOLLE TOCHT [220] | 152 | |
| EENE MOEDIGE DAAD | 177 | |
| IN SNEEUW EN IJS | 186 | |
| DE EERSTE STAP | 194 | |
| HET EXAMEN | 200 | |
| DE VERZOENING | 203 | |
| BESLUIT | 212 |


Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van dit boek.
De volgende 504 verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:
| Bladzijde | Bron | Verbetering | Bewerkingsafstand |
|---|---|---|---|
| 4, 18, 119, 122, 168, 179 | van | Van | 1 |
| Passim. | [Niet in bron] | „ | 1 |
| Passim. | [Niet in bron] | ” | 1 |
| 6 | eiëren | eieren | 1 / 0 |
| 7, 29 | pastte | paste | 1 |
| 20 | wilen | willen | 1 |
| 23 | Immers | immers | 1 |
| 27, 28, 28 | Janes | Janus | 1 |
| 28 | [Niet in bron] | ?” | 2 |
| 31 | tabakdoos | tabaksdoos | 1 |
| 32 | eén | één | 1 / 0 |
| 34, 126, 160, 179 | , | [Verwijderd] | 1 |
| 41 | krijgt | krijg | 1 |
| 41, 64, 98, 154, 164, 169, 169, 174, 180 | éen | één | 1 / 0 |
| 46 | Gorichem | Gorinchem | 1 |
| 47, 83, 170, 190 | vóor | vóór | 1 / 0 |
| 49 | Bosscheveld | Bossche Veld | 2 |
| 53 | wêer | weêr | 2 / 0 |
| 53 | paraplui | paraplu | 1 |
| 53, 82 | [Niet in bron] | , | 1 |
| 54 | den | Den | 1 |
| 59 | Nieuwkuik | Nieuwkuyk | 1 |
| 63, 119, 132, 214, 216 | ” | [Verwijderd] | 1 |
| 65, 80 | Nieuwkuijk | Nieuwkuyk | 2 |
| 67, 211 | . | , | 1 |
| 67 | [Niet in bron] | te | 3 |
| 74 | zich | [Verwijderd] | 5 |
| 75, 113, 137, 171, 180, 198 | . | ? | 1 |
| 77 | moeielijken | moeilijken | 1 |
| 78 | der | den | 1 |
| 78 | ongerustover | ongerust over | 1 |
| 81 | buiten gewoonlijk | gewoonlijk buiten | 14 |
| 82 | , | .” | 2 |
| 87 | be deeling | bedeeling | 1 |
| 95 | opgerichtte | opgerichte | 1 |
| 99 | annecdote | anecdote | 1 |
| 100 | gezamentlijk | gezamenlijk | 1 |
| 103 | Oost-Indievaarder | Oost-Indiëvaarder | 1 / 0 |
| Passim. | [Niet in bron] | „„ | 2 |
| 107, 130, 183 | . | : | 1 |
| 108 | binsel | bindsel | 1 |
| 109 | éene | ééne | 1 / 0 |
| 110 | onmiddelijke | onmiddellijke | 1 |
| 111 | insurbordinatie | insubordinatie | 1 |
| 111 | anstige | angstige | 1 |
| 112 | hij | Hij | 1 |
| 113, 139, 140, 141, 142, 142, 144, 162 | , | ? | 1 |
| 116, 116 | „ | [Verwijderd] | 1 |
| 119, 130 | . | ?” | 2 |
| 133, 158, 181 | zóo | zóó | 1 / 0 |
| 135 | [Niet in bron] | al | 3 |
| 140 | te te | te | 3 |
| 141 | arbeiders huizen | arbeidershuizen | 1 |
| 142 | ? | . | 1 |
| 143 | schotelje | schoteltje | 1 |
| 149, 177, 188 | veld | Veld | 1 |
| 150 | , | ?” | 2 |
| 154 | hun | hen | 1 |
| 156 | Babeloniënbrack | Babeloniënbroek | 2 |
| 157 | ! | ?” | 2 |
| 157 | [Niet in bron] | ? | 1 |
| 161 | klauwteraar | klauteraar | 1 |
| 173 | ”. | .” | 2 |
| 174 | [Niet in bron] | : | 1 |
| 177 | ”, | ,” | 2 |
| 190 | krachtinspanning | krachtsinspanning | 1 |
| 190 | ; | : | 1 |
| 199 | uit uitlaat | uitlaat | 4 |
| 201 | taal | Taal | 1 |
| 203 | hij | bij | 1 |
| 209 | vrengde | vreugde | 1 |
| 212 | Baarwijkschen | Baardwijkschen | 1 |
| 217 | Suezbooten | Suez-booten | 1 |
Overzicht van gebruikte afkortingen.
| Afkorting | Uitgeschreven |
|---|---|
| A.P. | Amsterdamsch Peil |